Momenteel werk ik aan een nieuw boek dat najaar 20120 verschijnt bij Atlas Contact. De (voorlopige?) titel is 'Van voor de geboorte tot na de dood. Over de zachte kant van harde feiten'.

 

Het boek verdedigt een ander beeld van  kennis dan het gangbare. We moeten veel meer in ternmen van 'ingrijpen' dan van 'ontdekken' gaan denken, betoog ik. Dat is eigenlijk waarvoor een wetenschappelijke sector hebben. Met de notie dat haar kennis gewoon de werkelijkheid weerspiegelt neemt ze echter te weinig verantwoordelijkheid voor hoe ze erin ingrijpt.

 

Dat ingrijpen gebeurt mede via het indelen van de werkelijkheid, via het 'classificeren' ervan: de vraag 'wat telt als armoede' gaat net zoals de vraag 'wat telt als een stoornis' vooraf aan wetenschappelijk onderzoek naar armoede of stoornissen. De antwoorden op dergelijke vragen worden harde feiten die  werkelijkheden gaan maken. Indelingen zijn dus niet tevoren al waar maar kunnen dat wel worden.

 

Getallen zijn ook niet exact, want ze zijn altijd op normatieve argumenten gebaseerd. Het zijn 'samengebalde argumenten', wil ik laten zien in het boek.

 

Dus is er geen reden om het onderscheid harde versus zachte wetenschap te maken. Maar er is wel een belangrijk verschil tussen goede en slechte wetenschap en al helemaal tussen wetenschap en 'ook maar een mening'.

 

Of wetenschap deugdelijk is hangt niet alleen van 'getalsmatige precisie' af maar vooral van 'discursieve precisie'. Dat nieuwe criterium wil ik met het boek introduceren.

 

 

In 2019 geef ik voor de derde keer de cursus 'Geluk als plicht en prestatie' voor honours-studenten van het Amsterdam University College, de Universiteit van Amsterdam, en de Vrije Universiteit. Dit op uitnodiging van het institute for Interdisciplinary Studies. En ik blijf lezingen geven, zij het in mindere mate omdat ik een boek aan het schrijven ben.

 

Nu even terug naar het verleden: van 1995 tot aan mijn pensionering in juli 2016 was ik hoogleraar 'theorie en geschiedenis van de psychologie' aan de Universiteit Groningen.

 

Mijn werkende bestaan begon eind jaren zeventig in de kinderpsychiatrische kliniek van het Academisch Ziekenhuis te Groningen - met een hbo-diploma uit Maastricht. Mijn functie was die van 'observatrice'. In die rol begeleidde men één kind en rapporteerde men over dit kind aan de artsen in de kliniek.

 

Deze leerzame periode maakte dat ik meer wilde weten en een universitaire opleiding psychologie begon (afgestudeerd in 1983). Omdat ik daarna vond dat ik nog te weinig begreep, voegde ik er een universitaire studie in de wetenschapsfilosofie aan toe (afgestudeerd in 1985).

 

Vervolgens liet de combinatie van de psychiatrische praktijk en deze twee disciplines me nooit meer los. Het onderzoeken van de psychologische en psychiatrische wetenschap zowel als praktijk werd mijn specialisme.

 

Mijn wetenschappelijke inspiratiebron werd niet alleen wetenschapsfilosofie, maar het bredere veld van het 'wetenschapsonderzoek', internationaal 'science and technology studies' geheten. Dat vakgebied legt zich toe op het onderzoeken van wetenschap, op een theoretische en op een empirische manier.

 

In 1990 promoveerde ik op een proefschrift over de veranderende betekenis van het begrip 'wetenschap' en 'objectiviteit' in de psychologie, bij de hoogleraren Pieter van Strien en Gerard de Vries. Dit (cum laude) proefschrift verscheen direct ook als het boek De regels van het vak bij Van Gennep (1990). Een paar jaar later kwam het in vertaalde en bewerkte vorm ook uit bij Cambridge University Press als Changing the Rules (1995).

 

In de tussentijd werd ik universitair medewerker in Groningen bij Psychologie evenals postdoctoraal onderzoeker bij de vakgroep Wetenschapsdynamica van de UvA.

Ik publiceerde een tijd lang artikelen in Engelstalige wetenschappelijke tijd-schriften. Daar leerde ik veel van en het bracht me interessante contacten met collega's uit allerlei landen. Zo werd ik bijvoorbeeld ook bestuurslid van het European Neuroscience and Society Network, gefinancierd door de European Science Foundation, wat opnieuw erg leerzaam was.

 

Na verloop van tijd ervoer ik het steeds meer als een probleem dat wetenschaps-beoefenaren bijna alleen met directe vakgenoten communiceren. Wij wetenschaps-onderzoekers schreven over wetenschap, maar onze inzichten bereikten de wetenschapsbeoefenaren niet wier disciplines we bespraken.

 

Ook viel het op dat het debat over wetenschap in de Nederlandstalige pers niet door het wetenschapsonderzoekwerd gevoed. Dat valt te verwachten als de inzichten uit dat vakgebied slechts in Engelstalige wetenschappelijke tijdschriften worden uitgewisseld. We praatten in ons eigen jargon -in onze eigen tijdschriften en tijdens onze eigen conferenties- welk jargon in het Engels al helemaal niet te volgen is voor buitenstaanders die het Engels niet als eerste taal hebben.

 

Dus besloot ik in het Nederlands te gaan schrijven voor wetenschapsbeoefenaren uit verschillende disciplines, maar ook voor lezers met belangstelling voor wetenschap zonder een universitaire functie. Om die laatste reden nam ik de uitnodiging aan van Tilly Hermans om een boek te schrijven voor haar prachtige uitgeverij Augustus met geweldig goede fictie-schrijvers. Hermans vroeg me op basis van enkele Nederlandstalige artikelen die ik had gepubliceerd, wat ik ervoer als een enorme eer.

 

Haar uitnodiging aannemen was wel een gok, want daarmee overtrad ik geschreven en ongeschreven regels van de universiteit, die bepalen dat je liefst artikelen in Engelstalige tijdschriften publiceert of anders op zijn minst bij een universitaire uitgeverij. Dat wilde ik niet vanwege de te beperkte kring en mijn gok lukte. Het boek De depressie-epidemie (1ste druk mei 2008) kreeg meteen overweldigende ontvangst in allerlei kringen binnen en buiten de universiteit. Het werd bekroond met de NWO Eurekaprijs 2009 en in hetzelfde jaar was ik zomergast bij het VPRO-programma Zomergasten, waarbij ik filmfragmenten kon laten zien over alles wat me boeit, variërend van een clip met Jan Wolkers en een met de filosoof Karl Popper tot fragmenten uit The Soprano’s en uit de optredens van de cabaretière Brigitte Kaandorp.

 

Eveneens tot mijn trots plaatste NRC Handelsblad De depressie-epidemie in 2010 op een lijst met de 15 beste werken uit de 21 eeuwse internationale nonfictie literatuur. En in 2011 werd ik benoemd tot officier in de orde van Oranje Nassau vanwege (zoals de officiële toelichting meldde) ‘mijn wetenschappelijke verdiensten zowel als mijn bijdragen aan het maatschappelijke debat’.

 

Het boek Betere mensen (1ste druk juni 2014, vierde druk 2017) kreeg opnieuw uitvoerig aandacht met veel interviews en recensies en leidt ook tot allerlei uitnodigingen voor een lezing. Het leidde tevens tot een uitnodiging voor een dubbelinterview met de door mij bewonderde schrijfster Nelleke Noordervliet in de reeks Zomeravondgasten van NRC Handelsblad 2014. Eind december meldde Atheneum Boekhandel dat het tot de top tien van de meest verkochte boeken in de sociale wetenschappen hoorde.

 

 

 

 

 

Trudy Dehue wetenschapshistoricus en wetenschapssocioloog