Wat ik beroepshalve met tekst doe, doe ik daarnaast met beelden. Hier staan een paar foto's van mij. Ze laten de pracht zien van wezens die doorgaans onopgemerkt blijven, of hooguit 'eng' mogen heten, en na hun dood onverschillig worden opgeveegd.

 

Het zijn ook foto's die ingrepen zijn en vertonen in de realiteit. Mijn boeken en lezingen gaan vaak over verbale indelingen van de werkelijkheid, die door mensen zijn gemaakt en niet door de werkelijkheid zelf (planeet versus ster, homo versus hetero, gestoord versus normaal).

 

Volgens het standaardbeeld van wetenschap lagen dat soort indelingen (classificaties) al klaar voordat ze door onderzoekers werden 'ontdekt'. Maar eigenlijk zijn ze door mensen bedacht en worden ze pas later waar - als er praktijken en gewoonten op gebaseerd zijn geraakt. Dat gebeurt vooral als wetenschappelijk onderzoekers de bedachte categorieën gebruiken bij hun onderzoek en dan de suggestie uitdragen dat dat hun werk slechts 'de' natuur beschrijft.

 

Classificeren is onvermijdelijk want het is verbonden met kennisvorming. Maar het maken van de foto's leert me ook opnieuw dat onze classificaties nogal grofmazig kunnen zijn: ze gooien vanalles op een hoop zoals 'mensen' versus 'dieren' of 'insecten'. Of denk aan het woord 'vlieg' waarmee een enorme variatie aan dieren wordt vernoemd naar iets (en slechts één iets) wat ze doen. Aan de brede categorie 'vlieg' hebben we de connotatie 'vies' of 'hinderlijk'  verbonden en zo is ook de harde en objectieve realiteit van de 'vliegenmepper' ontstaan. Om niet te spreken over de nog hardere objectieve realiteit van grootschalig insecticidegebruik voor insectenbestrijding. Woorden beschrijven geen vooraf bestaande werkelijkheid, maar máken hem achteraf met het woordgebruik.

 

Voor mensen hebben we dergelijke brede categorieën zoals 'patiënt', 'homo', 'vrouw' of 'stoornis' en 'depressief'. Ook dat zijn  enorme containerbegrippen, die individuen samen in een categorie plaatsen op basis van een enkel, breed en grof kenmerk. Delen we dezelfde mensen in naar, ik noem maar wat, hun creativiteit, lichaamslengte, haarkleur, of beroep, dan raken de groepen gebaseerd op de andere categorieën door elkaar.

 

Desondanks denken we over de meest gebruikte categorieën dat ze een in de realiteit bestaand iets zijn, een essentie die de eigenschappen van de betrokkenen dicteert ('vrouwen zijn ....', 'homo's doen ....', want ze 'zijn' immers vrouw respectievelijk homo). Terwijl mannen en vrouwen genetisch gezien grotendeeld identiek zijn, zoeken we toch naar minieme verschillen om vervolgens in twee soorten mensen te gaan denken en handelen. Met landen van herkomst is dat nog veel sterker.

 

Dat is wat in de filosofie 'reïficeren' van de categorieën heet, en ook 'essentialisme', waar het 'nominalisme' tegenover staat dat geen vaste betekenis van woorden veronderstelt, maar die zoekt in de manier waarop ze worden gebruikt. Een goede illustratie van essentialisme is de reactie op mijn boek 'De depressie-epidemie' van de hoogleraar Klinische Psychologie Willem van der Does in De Volkskrant (link). En mijn antwoord daarop in dezelfde krant illustreert het verschil met nominalistisch  denken (link). In een wat langer artikel in De Groene Amsterdammer contrasteer ik de twee wijzen van denken opnieuw en diepgaander met het woord 'depressie' als voorbeeld (of link of link naar pdf ).

 

Ik ben zeker de eerste niet die over dit soort dingen nadenkt. John Stuart Mill over essentialisme in 1869 : ‘De neiging is altijd sterk geweest om te geloven dat wat er ook maar een naam kreeg, een ding of een wezen op zichzelf moet zijn’(geciteerd in Betere Mensen, p.23). En vanuit dat misverstand geven hedendaagse wetenschappers karrevrachten geld uit voor de zoektocht naar dat 'wezen op zichzelf' in de genen of hersenen van de groepen mensen - die ze eerst zelf hebben tot groep hebben gemaakt.

wat me boeit en bezighoudt