Wat ik beroepshalve met tekst doe, doe ik daarnaast met beelden. Hier staan een paar foto's van mij. Ze laten de pracht zien van wezens die doorgaans onopgemerkt blijven of hooguit 'eng' mogen heten, onverschillig worden doodgemept en opgeveegd.

 

Het zijn ook foto's die ingrijpen in de realiteit. Ze spelen overduidelijk met de werkelijkheid. Alle foto's doen dat, ook als dat niet zo sterk opvalt. Een fotograaf maakt altijd keuzen die de blik van de kijker sturen. Mijn verbale werk betoogt eveneens dat we de werkelijkheid niet rechtstreeks weergeven maar haar met onze beschrijvingen (trachten te) veranderen.

 

Beschrijven is het benoemen en daarmee indelen van de werkelijkheid - en indelingen (oftewel classificaties)zijn door mensen gemaakt en niet door de natuur. Volgens het standaardbeeld van wetenschap lagen wetenschappelijke classificaties altijd al klaar voordat ze door onderzoekers werden 'ontdekt'. Maar ook die zijn door mensen bedacht en ze worden pas later waar - als er praktijken en gewoonten op gebaseerd zijn geraakt. Dat gebeurt vooral als wetenschappelijk onderzoekers de bedachte classificaties gebruiken bij hun onderzoek en dan de suggestie uitdragen dat hun werk slechts 'de' natuur beschrijft.

 

Classificeren is onvermijdelijk, want het is verbonden met onze oriëntatie op deze aardbol en met onze kennisvorming over de realiteit. Maar het maken van de foto's leert me ook opnieuw dat onze classificaties nogal grofmazig kunnen zijn: ze onderscheiden grof en gooien tegelijk vanalles, al even grof, op één hoop. Denk aan het voorbeeld van 'mensen' versus 'dieren' of 'mannen' versus 'vrouwen'. Dat zijn erg brede classificaties die zowel een lijn trekken tussen bijvoorbeeld mensen versus dieren als alle mensen en alle dieren op één hoop gooien.  Of denk aan het woord 'vlieg' waarmee een enorme variatie aan wezens wordt vernoemd naar iets (en slechts één iets) wat ze doen (grappig trouwens dat we vogels geen 'vlieg' noemen en dat we ook geen 'zwem' kennen als diersoort).

 

Aan de brede categorie 'vlieg' hebben we de connotatie 'vies' of 'hinderlijk'  verbonden en zo is ook de harde en objectieve realiteit van de 'vliegenmepper' ontstaan. Om niet te spreken over de nog hardere objectieve realiteit van grootschalig insecticidegebruik voor insectenbestrijding. Woorden beschrijven geen vooraf bestaande werkelijkheid, maar wij máken de realiteit in het gebruik van bepaalde woorden.

 

Voor mensen hebben we heel veel brede categorieën zoals 'patiënt', 'homo', 'allochtoon' of 'stoornis' en 'depressief'. Ook dat zijn  enorme containerbegrippen, die individuen samen in een categorie plaatsen op basis van een enkel, breed en grof kenmerk, terwijl ze hen tegelijk van anderen scheiden. Delen we dezelfde mensen in naar, ik noem maar wat, hun creativiteit, lichaamslengte, haarkleur, of beroep, dan raken de groepen gebaseerd op de andere categorieën door elkaar.

 

Desondanks denken we over de meest gebruikte categorieën dat ze een in de realiteit bestaand iets zijn, een essentie die de eigenschappen van de betrokkenen dicteert ('vrouwen zijn ....', 'homo's ervaren....', want ze 'zijn' immers vrouw respectievelijk homo). Terwijl mannen en vrouwen genetisch gezien grotendeeld identiek zijn, zoeken we toch naar minieme verschillen om vervolgens in soorten te gaan denken en handelen. Met landen van herkomst is dat nog veel sterker.

 

Dat is wat in de filosofie 'reïficeren' van de categorieën heet, en ook 'essentialisme', waar het 'nominalisme' tegenover staat dat geen vaste betekenis van woorden veronderstelt, maar die zoekt in de manier waarop ze worden gebruikt. Een goede illustratie van essentialisme is de reactie op mijn boek 'De depressie-epidemie' van de hoogleraar Klinische Psychologie Willem van der Does in De Volkskrant (link). En mijn antwoord daarop in dezelfde krant illustreert heel goed het verschil met nominalistisch denken (link). In een wat langer artikel in De Groene Amsterdammer contrasteer ik de twee wijzen van denken opnieuw en diepgaander met het woord 'depressie' als voorbeeld (of link of link naar pdf ).

 

Ik ben zeker de eerste niet die over dit soort dingen nadenkt. John Stuart Mill over essentialisme in 1869 : ‘De neiging is altijd sterk geweest om te geloven dat wat er ook maar een naam kreeg, een ding of een wezen op zichzelf moet zijn’(geciteerd in Betere Mensen, p.23). En vanuit dat misverstand geven hedendaagse wetenschappers karrevrachten geld uit voor de zoektocht naar dat 'wezen op zichzelf' in de genen of hersenen van de groepen mensen - die ze eerst zelf hebben tot groep hebben gemaakt.

wat me boeit en bezighoudt