Project omschrijving

Boek in de maak

Over de ingrediënten van de feiten. Van voor de geboorte tot na de dood.

Beeld: ‘Affe vor Skelett’ door Gabriël van Max, 1900 (wikipedia).

Momenteel werk ik aan een nieuw boek dat zal verschijnen bij Atlas Contact. De werktitel is ‘Over de ingrediënten van de feiten. Van voor de geboorte tot na de dood’.

In mijn andere boeken ging het om vragen zoals ‘wat telt als een goede onderzoeksmethode’ en ‘wat telt als een stoornis?’. De onvermijdelijk normatieve antwoorden daarop gaan aan het wetenschappelijke onderzoek vooraf. Zij zijn mede bepalend voor de uitkomsten waarnaar we vervolgens de werkelijkheid modelleren.

Dus kan uit een hersenscan of ander biologisch onderzoek nooit blijken dat adhd ‘een echte stoornis’ is. De definitie van concentratietekort als de stoornis adhd ging immers aan het onderzoek vooraf. En wat telde in dat onderzoek eigenlijk als ‘concentratietekort’?

Vooral via het biologische denken werd het bestaan van adhd wel een steeds harder feit. Zoiets geldt voor alle wetenschappelijk onderzoek. Wie op basis van hersenonderzoek zegt dat de vrije wil ‘niet bestaat’ heeft een eigen definitie van de vrije wil gehanteerd, en die definitie is totaal anders dan die van theoretisch geschoolde juristen. Welk effect hebben de beide definities op het leven van mensen? Als we aanvaarden dat er geen vrije wil bestaat, hoeven we dus ook niet meer te vragen hoe het kan dat iemand iets heeft misdaan.De persoon ís gewoon een misdadiger, met een misdadig brein.

De voorbeelden zijn eindeloos. Als we armoede onderzoeken gaat daar een definitie van armoede aan vooraf. En in in de natuurwetenschappen is dat niet anders: wat telt als een planeet, een Higgs deeltje, een plant, of een dier?

Normen en feiten zijn dus niet van elkaar gescheiden, maar juist innig verstrengeld zijn met elkaar. Via wetenschappelijk onderzoek worden de normen in harde waarheden getransformeerd en dan oefenen ze ongezien hun werking uit. Dat inzicht diept mijn nieuwe boek in theoretische zin verder uit, maar vooral door een andere geschiedenis te schrijven van belangrijke classificaties uit ons dagelijkse leven.

Het eerste hoofdstuk van mijn nieuwe boek bespreekt de algemenere thematiek in weer andere bewoordingen doordat ik er steeds meer over na heb gedacht. Het gaat er niet om dat wetenschappelijk onderzoek dus ‘niet objectief’ is, en daarmee waardeloos. Het gaat erom dat het des te waardevoller is als er ook goed is nagedacht over de normen voorafgaand aan de feiten. De kwaliteit van feiten hangt, anders gezegd, niet alleen af van de vraag of er goed is gemeten, maar ook en vooral van de vraag of er goed en openlijk is nagedacht.

Vervolgens laat ik aan drie fundamentele voorbeelden zien hoe zeer mensen via veranderende feitenproductie steeds nieuwe werkelijkheden maken.

Het eerste voorbeeld (in het tweede hoofdstuk) gaat over de door mensen aangebrachte onderscheidingen van de levende natuur. De natuur zelf is een groot geheel. Wij mensen hebben bepaald dat dieren niet in de klasse der mensen horen, en planten niet in de klasse der dieren. Hoe verdeelden we vervolgens de dieren en planten weer in soorten? Door de eeuwen heen blijkt dat – door mensen ontworpen – nieuwe onderzoekstechnologie steeds tot nieuwe definities leidt van een soort. Dat heeft telkens weer grote gevolgen voor de werkelijkheid waarin dieren, maar ook ook wij zelf, leven.

Neem de ‘Cirrotheutis meangensis’, getekend door William Hoyle (1886; met dank aan biodiversitylibrary.org). Hoe wist Hoyle dat dit wezen een Cirrotheutis meangensis ‘is’? Het heeft die naam niet zelf aan hem meegedeeld, en ook andere diepzeedieren zullen hem niet aan Hoyle hebben verteld. Het ‘is’ dus geen Cirrotheutis; Hoyle classificeerde hem zo. Op basis waarvan deed hij dat, en waarom ging het dier later weer anders heten?

Het tweede voorbeeld (in het derde hoofdstuk) is de geschiedenis van menselijke feitenproductie over ongeborenen. Hoe achterhaalde men door de tijden heen wat er zich in de buik van een zwangere vrouw bevindt? Het verhaal bleek schokkend vanwege de ruwe omgang met vrouwen en ongeborenen in vroeger tijden. En wat telt als een ‘vrucht’, een ‘foetus’ of een ‘baby’? Steeds nieuwe onderzoeksapparatuur bleek in dit geval tot steeds nieuwe verbeeldingen van ongeborenen te leiden.

De afbeeldingen spreken echter niet namens de werkelijkheid, laat ik zien, want mensen spreken via afbeeldingen.Net zoals getallen zijn verbeeldingen dus samengebalde argumenten. Of en wanneer een ongeborene als een mensje telt, heeft wel grote consequenties.

Zie hier ‘Embryo 1445′, uit 1908, met dank aan de website embryo.med.

Hoe zijn de makers van deze tekeningen tot hun conclusies gekomen? Op basis waarvan deelden ze het verbeelde wezentje in bij de embryo’s en niet bij de foetussen? En was een embryo voor hen al een kind? Wat waren de gevolgen van hun classificatie?

Het derde voorbeeld (in het vierde hoofdstuk) wordt de indrukwekkende geschiedenis van de definitie van ‘dood’. Wat telt als hersendood? En als iemands lichaamscellen verder leven, telt die persoon dan als dood? Wie denkt dat Henriëtta Lacks voorleeft omdat haar cellen dat doen (als HeLa cellen), definieert haar als haar cellen – net zoals iemand die denkt dat eicellen vanaf de vroegste delingen al personen zijn.

Zich delende 'HeLa cellen'. Bron: Wikipedia.org.

Dat laatste hoofdstuk moet nog worden geschreven, evenals het slot met de conclusies van het boek.