‘De jury (…) ziet in Trudy Dehue iemand die met een scherpe blik en een fijne pen het publieke gesprek aangaat over hoe wetenschap en maatschappij met elkaar zijn vervlochten (…)’

Citaat uit het juryrapport bij de toekenning van de KNAW Akademiepenning 2019 (foto Inge Hoogland / KNAW)

Als (emeritus) hoogleraar wetenschapsonderzoek ben ik geïnteresseerd in de samenstelling van feiten

Wij richten onze werkelijkheid in op basis van feiten. Dat is terecht – als het deugdelijke feiten zijn. Daarom is het belangrijk te beseffen dat kant en klare feiten uit ingrediënten bestaan, die tevoren zijn gemaakt, gekozen en bewerkt.

Feiten zijn dus geen rechtstreekse reflecties van ‘de’ werkelijkheid. Ze zijn het eindproduct van menselijke redeneringen en besluiten. Er gaat veel denk- en ontwerp-werk aan vooraf, zodat ik ze ‘samengebalde argumenten’ noem.

Wetenschappelijke feiten zijn, anders gezegd, als bitterballen. Of ze nu worden opgediend in een korst van cijfers, woorden, of afbeeldingen – de kwaliteit hangt van de vulling af. En die is mede bepalend voor ons leven.

Onderzoek naar feiten

Wie bijvoorbeeld onderzoek naar armoede of depressie doet, moet allereerst bepalen wat als armoede of depressie telt. Vervolgens moet zo’n onderzoeker bedenken hoe de gedefinieerde armoede of depressie te gaan meten. Tot slot moet zij of hij nog bepalen hoe de metingen te interpreteren en presenteren.

Dat presenteren gebeurt met een mooi korstje eromheen, zodat onzichtbaar wordt hoe het feit is samengesteld – tenzij die ingrediënten op de verpakking komen te staan.

Hetzelfde geldt voor het onderzoeken van planeten, dieren, discriminatie, inkomen, de vrije wil, een psychische stoornis, of wat dan ook.

Alle gemaakte keuzen bij feitenproductie zijn onvermijdelijk normatief van aard. Feiten en normen zijn dus niet gescheiden van elkaar, maar juist innig verstrengeld met elkaar.

Waarom telt de Venus Vliegenvanger bijvoorbeeld als een vleesetende plant en niet als een geworteld dier? De natuur zelf bepaalt het antwoord daarop niet. In mijn boek-in-de-maak onderzoek ik (onder andere) de geschiedenis van steeds wisselende criteria voor plantaardigheid versus dierlijkheid.

De ‘Venus Fly Trap’afbeelding uit 1790 (biodiversitylibrary.org)

We onderscheiden mensen ook van dieren, wat de natuur evengoed niet aan ons heeft voorgeschreven. Door dat onderscheid staan mensen zichzelf toe dingen met dieren te doen waarvoor we anders in de gevangenis zouden belanden.

Het gaat, anders gezegd, om ‘classificaties’ en belangrijk is dat classificaties consequenties hebben. Wat telde als armoede bij armoedecijfers? Die definitie vormt de onderzoeksuitkomsten, zodat hij -meer dan de cijfers zelf- het armoedebeleid vormt en daarmee het leven van veel mensen.

Classificaties weerspiegelen de werkelijkheid niet, maar vormen hem wel.

En wat telde als moord bij de presentatie van jaarlijkse moordcijfers? Toen de Hoge Raad de definitie van een moord aanscherpte kregen we vaker een ‘doodslag’ in Nederland en dus lagere moordcijfers. Tellen we een ongeborene als kinderen, dan heeft dat invloed op de bevolkingscijfers en op ons abortusbeleid.

Minstens ze sterk als de ingrediënten van ons voedsel bepalen de ingrediënten van wetenschappelijke feiten dus de aard en kwaliteit van ons bestaan. Daarom interesseren ze me. Wat telt als normaal of abnormaal in de psychiatrie? Wie telt als een man of een vrouw, een homo of hetero, een gekleurd of een wit mens? Waarom vinden we het zo belangrijk mensen in te delen op basis van hun lichaamsvormen, hun seksuele voorkeur, of hun huidskleur? De noodzaak tot indelen bepaalt de natuur niet voor ons, maar wij bepalen het voor de natuur.

Woorden, getallen en afbeeldingen spreken niet namens de werkelijkheid, maar mensen spreken via woorden, getallen en afbeeldingen over de werkelijkheid.

Momenteel werk ik aan een nieuw boek over deze thematiek, waarover ik wat meer vertel onder ‘publicaties’. Mijn belangstelling ervoor heeft een lange voorgeschiedenis.

Loopbaan

Mijn werkende bestaan begon eind jaren zeventig -met een hbo-diploma uit Maastricht- in de kinderpsychiatrische kliniek van het Academisch Ziekenhuis te Groningen. Mijn functie was die van ‘observatrice’. Observatrices begeleidden één opgenomen kind en rapporteerden over dit kind aan de artsen in de kliniek.

Deze leerzame periode maakte dat ik meer wilde weten en een universitaire opleiding psychologie begon (afgestudeerd in 1983). Omdat ik daarna vond dat ik nog te weinig begreep, voegde ik er een twee jarige universitaire studie in de wetenschapsfilosofie aan toe (afgestudeerd in 1985).

Vervolgens liet de combinatie van de psychiatrische praktijk en deze twee universitaire disciplines me niet meer los. Het onderzoeken van de psychologische en psychiatrische wetenschap zowel als praktijk werd mijn specialisme.

Mijn wetenschappelijke inspiratiebron werd niet alleen wetenschapsfilosofie, maar het bredere veld van het ‘wetenschapsonderzoek’, internationaal ‘science and technology studies’ geheten. Dat vakgebied legt zich toe op het onderzoeken van wetenschap, op een theoretische en op een empirische manier.

In 1990 promoveerde ik op een proefschrift over de veranderende betekenis van het begrip ‘wetenschap’ en ‘objectiviteit’ in de psychologie, bij de hoogleraren Pieter van Strien en Gerard de Vries. Dit (cum laude) proefschrift verscheen direct ook als het boek De regels van het vak bij Van Gennep (1990). Een paar jaar later kwam het in vertaalde en bewerkte vorm uit bij Cambridge University Press als Changing the Rules (1995).

In de tussentijd werd ik universitair medewerker in Groningen bij Psychologie evenals postdoctoraal onderzoeker bij de vakgroep Wetenschapsdynamica van de UvA.

Van 1995 tot aan mijn pensionering in juli 2016 was ik hoogleraar aan de Universiteit Groningen. De officiële naam van de leerstoel was ‘theorie en geschiedenis van de psychologie’, maar dat dekt de lading niet. Ik ontwikkelde me tot wetenschapsonderzoeker van verschillende disciplines die mensen bestuderen. Niet alleen de psychologie had mijn belangstelling, maar ook de psychiatrie, het hersenonderzoek en het genetisch onderzoek – terwijl ik me nu voor mijn nieuwe boek op weer andere disciplines richt.

Vele jaren gaf ik met groot plezier de cursus Wetenschapstheorie voor psychologiestudenten. Ik leerde met voorbeelden zo veel mogelijk aan te sluiten bij hun eigen bestaan. Voor een deel van de studenten bleef het vak toch te abstracti, maar de gemiddelde waardering was altijd erg hoog, terwijl het vak ook hoog scoorde op moeilijkheidsgraad. Bij schriftelijke evaluaties na het tentamen plaatsten sommigen opmerkingen die me zijn blijven ontroeren

“Door u heb ik een idee gekregen ‘wie ik wil zijn’ in plaats van ‘wat ik zou moeten zijn. Ik denk dat u heel veel heeft bijgedragen aan mijn toekomst.”

Een tijd lang ging ik artikelen publcieren in alleen Engelstalige wetenschappelijke tijdschriften, zoals dat hoorde in de psychologie. Daar leerde ik veel van en het bracht me interessante contacten met collega’s uit allerlei landen. Zo werd ik bijvoorbeeld bestuurslid van het European Neuroscience and Society Network, gefinancierd door de European Science Foundation.

Na verloop van tijd ervoer ik het steeds meer als een probleem dat wetenschapsbeoefenaren bijna alleen met directe vakgenoten communiceren. Wij wetenschaps-onderzoekers schreven over wetenschap, maar onze inzichten bereikten de onderzoekers niet wier disciplines we bespraken, laat staan een groter publiek.

Ook viel het op dat het debat over wetenschap in de Nederlandstalige pers niet door het wetenschapsonderzoek werd gevoed. Dat valt te verwachten als de inzichten uit dat vakgebied slechts in Engelstalige wetenschappelijke tijdschriften worden uitgewisseld.

In het Nederlands

Dus besloot ik in het Nederlands te gaan schrijven voor wetenschapsbeoefenaren uit verschillende disciplines, maar ook voor lezers met belangstelling voor wetenschap die niet aan aan een universiteit werken. Om die laatste reden nam ik de uitnodiging aan van uitgeefster Tilly Hermans om een boek te schrijven voor haar uitgeverij Augustus met geweldig goede fictie-schrijvers.

Het boek De depressie-epidemie (1ste druk mei 2008; tiende druk 2019) kreeg meteen overweldigende ontvangst in allerlei kringen binnen en buiten de universiteit. Het werd bekroond met de NWO Eurekaprijs 2009. Uit het juryrapport (link): ‘Dit is een bijzonder boek, omdat het langs de weg van de historische analyse, met een goed onderbouwde methodologische en wetenschapstheoretische kritiek en op basis van een oprechte bezorgdheid over ontwikkelingen in de samenleving als onbetrouwbaar ijs ontmaskert wat altijd voor een stevig fundament werd gehouden.’

In hetzelfde jaar was ik zomergast bij het VPRO-programma Zomergasten, waarbij ik filmfragmenten kon laten zien over alles wat me boeit, variërend van een clip met Jan Wolkers en een met de filosoof Karl Popper tot fragmenten uit The Soprano’s en uit de optredens van de cabaretière Brigitte Kaandorp.

Eveneens tot mijn trots plaatste NRC Handelsblad De depressie-epidemie in 2010 op een lijst met de 15 beste werken uit de 21ste eeuwse internationale nonfictie literatuur. En in 2011 werd ik benoemd tot officier in de orde van Oranje Nassau vanwege (zoals de officiële toelichting meldde) ‘mijn wetenschappelijke verdiensten zowel als mijn bijdragen aan het maatschappelijke debat’.

Het boek Betere mensen (1ste druk juni 2014, vijfde druk september 2019) kreeg opnieuw uitvoerig aandacht met veel interviews en recensies en leidt ook tot prachtige uitnodigingen voor een lezing. Het leidde tevens tot een uitnodiging voor een dubbelinterview met de door mij bewonderde schrijfster Nelleke Noordervliet in de reeks Zomeravondgasten van NRC Handelsblad 2014. Eind december meldde Atheneum Boekhandel dat het tot de top tien van de meest verkochte boeken in de sociale wetenschappen hoorde.

Sinds 2016

Halverwege 2016 vertrok ik bij de Universiteit Groningen (wegens voorgeschreven pensionering / emeritaat). Daarna gaf ik met groot plezier nog drie keer de cursus ‘Geluk als plicht en prestatie’ voor het gezamenlijke honoursprogramma van de UvA, de VU, en het Amsterdam University College.

In 2019 ontving ik de Akademiepenning van de KNAW ‘voor een persoon die zich bijzonder heeft ingezet voor de bloei van de Nederlandse wetenschap’ (link naar het juryrapport / de laudatio). Dat is een geweldige kroon op mijn werk, en tegelijk een erkenning van het vakgebied Wetenschapsonderzoek, evenals van vrouwen in de wetenschap. De 43 eerdere ontvangers (link) waren allemaal man (als ging hij in 1994 naar Pierre Dubois samen met diens echtgenote Kitty Dubois).

De uitnodigingen voor gastcolleges en lezingen blijven komen. Ik leer zelf ook veel van de grote variatie aan organisaties waar ik mag komen spreken. Verder werk ik, als gezegd, aan een nieuw boek, waarover meer onder ‘publicaties’.

Tenslotte: mijn foto’s

Verder maak ik macrofoto’s van microscènes die ik zelf eerst heb gebouwd. Het zijn dus geen natuurfoto’s, maar foto’s van een werkelijkheid die ik heb gecreëerd. Er staat steeds een insect op, omdat de combinatie van kwetsbaarheid en ondernemingszin van die kleine beestjes me boeit. Verder variëren mijn attributen van belichting tot papiertjes, stukjes glas of spiegel, druppels water, schelpen, veertjes, draadjes, kralen, keukenkruiden, zaden, of watten.

Elke gefotografeerde scene is slechts ongeveer één vierkante centimeter groot. Sommige van de foto’s zijn op deze site te vinden onder ‘contact’ en ‘in de media’. En hierbij het drieluik ‘Mayday Mayday’: