Ontvangst van het boek in 2023 en 2024:

‘Ei foetus baby is een briljante geschiedenis van zwangerschap, neergepend met kwaadheid en onderkoelde humor (…) Een must, niet alleen voor vrouwen’ – Paul Verhaege in De Morgen (link)

Trudy Dehue schreef een belangrijk boek (…). Iedereen die grote, al dan niet religieus ingegeven uitspraken wil doen over zwangerschap, zou eerst dit boek moeten lezen’ – Carin Slotboom in Nederlands Dagblad.

‘Een briljante studie die zeer tot nadenken stemt’- Henk Maessen in Medisch Contact (link)

‘De zorgvuldigheid waarmee Dehue te werk gaat is prijzenswaardig’ (…) – Ira Pronk in Filosofie Magazine (link)

‘De beeldend vertelde verhalen van individuele vrouwen zijn aangrijpend en onrustbarend’ – Ranne Hovius in De Volkskrant

‘In haar boek neemt ze je mee door een intrigerende – soms gruwelijke – reis door de tijd waarin wetenschappers experimenten deden om een beeld te krijgen van het embryo’- Lianne Tijhaar in Nemo Kennislink (link).

‘Daarom pleit Dehue voor de introductie van de ‘allroundpil’ (…). Wie dit boek gelezen heeft, begrijpt haar volkomen’ – Tanny Dobbelaar in Trouw

‘Dehue is ook kwaad, dat kan haar (…) onderkoelde humor niet verhullen. Maar ze gebruikt verontwaardiging als brandstof (…)’- Martine Kamsma in NRC (link).

‘Een zeer welkome bijdrage aan een maatschappelijk discours over zwangerschap en abortus dat, mijns inziens, wordt gekenmerkt door historische onwetendheid en een focus op de beleving van het individu’- Madeleijn van den Nieuwenhuijzen in De Nederlandse boekengids (link).

‘Het boek komt weliswaar als geroepen, maar is allerminst in haast geschreven (…) Ze dwingt de lezer voortdurend om verder te kijken dan diens neus lang is – Sicco de Knecht in De Nederlandse boekengids (link).

‘Een must voor alle artsen, in opleiding, gevestigd en gepensioneerd’ – Betty Meyboom – de Jong, website Vereniging Nederlandse Vrouwelijke artsen (link).

‘In een scherpe stijl en stevig gestut door kanttekeningen en noten werpt Dehue niet alleen een blik op de toegepaste technieken, maar belicht ze ook de maakbaarheid van feiten (…)’ – Laura Herman in de Groene Amsterdammer (link)

‘Een must-read voor professionals (…) Het boek plaatst het thema “schuld” bij moeders in een breder kader dan het individueel psychiatrische. Schuld [is aangebracht]  door kerkelijke en patriarchische indoctrinatie en is daarmee een collectief, maatschappelijk en intergenerationeel thema’ – Rinske Frima in De Psycholoog.

‘Dehue heeft ware titanenarbeid verricht in het ontsluiten van bronnen, waarmee een essentiële geschiedenis is ontsloten’ – Inge van Nistelrooij in Tijdschrift voor Gezondheidszorg en Ethiek.

‘Het is een indrukwekkend historisch onderzoek’ – Elja Looijestijn in de VPRO-gids (link).

‘De geschiedenis van zwangerschap zoals Dehue ze reconstrueert uit gedegen historisch bronnenonderzoek, is geen lieflijk verhaal over nieuw leven en romantisch moederschap (…) Dehue doorprikt die retoriek’ – Geerdt Machiels in De Standaard.

‘De kerk en de prolifebeweging doen er goed aan zich van deze geschiedenis bewust te zijn. Wie het boek leest, kan beter invoelen waarom sommige vrouwen zo fel reageren op de prolifebeweging’ – Arthur Alderliesten in het Reformatorisch Dagblad.

‘Hier hoefde de jury het niet lang over te hebben: dit is een gedegen boek, een gruwelijk boek en vooral een belangrijk boek’- jury shortlits Beste Groninger boek 2024 non-fictie.

Aanbevelingen achterop het omslag van het boek:

‘Een schokkend en steengoed boek’ – Marian Mourits, hoogleraar gynaecologie UMCG

‘Geëngageerd, persoonlijk en wetenschappelijk. Een belangrijk boek’ – Remieg Aerts, hoogleraar Nederlandse geschiedenis UvA

—————————-

Waar ‘Ei, foetus, baby’ over gaat

Niemand kan door een buik- en baarmoederwand kijken. En toch vind je met een paar muisklikken gedetailleerde informatie over menselijke foetussen, embryo’s, en eicellen, en zelfs daar weer de binnenkant van. Dat roept verwondering op over de vorming van nieuwe mensjes, maar zelden over de kennis daarvan. Die nemen de meeste mensen gewoon voor lief, terwijl hij toch ook niet vanzelfsprekend is.

De ingrediënten van de feiten

Het boek opent met een pleidooi voor een meer democratische kijk op feiten, want in plaats van reflecties van de werkelijkheid zijn dat eindproducten van menselijke redeneringen en handelingen. Feiten bestaan dus uit ingrediënten – en al zijn die van experts doorgaans beter dan die van leken, die variëren net zo goed van aard en kwaliteit.

En dat heeft gevolgen voor de werkelijkheid waarop ze slaan.

Met een vergelijking: de ene beroepskok kookt met betere ingrediënten en technieken dan de andere, en net zoals ons voedsel de kwaliteit van ons bestaan bepaalt, zo geldt dat voor onze feiten.

De belangrijkste ingrediënten van feiten zijn de classificaties waarop ze zijn gebaseerd, oftewel antwoorden op de vraag ‘wat telt als?’ die aan ieder onderzoek vooraf moeten gaan. Aan het produceren van armoede-cijfers is een definitie vooraf gegaan van wat als armoede telt- én van wat telt als gedegen wetenschappelijk onderzoek daarnaar.

De classificaties van diverse onderzoeksinstanties verschillen van elkaar en dus ook de cijfers die ze produceren, en daarmee het armoedebeleid dat op die cijfers wordt gebaseerd.

Feiten zijn, kortom, maaksels die maken.

Al ons spreken, meten, rekenen en verbeelden vertrekt vanuit classificaties. Wat moet of mag tellen als een planeet, een psychische stoornis, een covidbesmetting, dakloze, dichter, vluchteling of vreemdeling? De antwoorden op die vragen zijn onvermijdelijk normatief.

Feiten en normen zijn dus niet gescheiden, zoals velen denken, maar juist innig met met elkaar verbonden. Dat hoeft niet te betekenen dat elk feit dus even (on)deugdelijk is als het andere, maar wel dat de samenstelling in principe beoordeeld moet kunnen worden. De ingrediënten van kant en klare feiten zouden ‘op het etiket’ moeten staan, zoals dat bij kant en klare voedselproducten moet.

Het voorbeeld van zwangerschap

Nu gaat het om classificaties als ‘zwanger’, ‘moeder’ en ‘vrucht’ of ‘ongeboren kindje’, een ‘kloppend hartje’, ‘abortus’ en zelfs ‘moord’. Wat werd en wordt daaronder precies verstaan en hoe is zo’n definitie tot stand gebracht?

Dergelijke classificaties hebben ook bij uitstek consequenties, want net zoals die van armoede geven ze mensen rechten, of ontnemen ze die. Daarom noem ik de classificaties verstopt in feiten ook wel ‘talige technologie’ en blijken zal dat deze vaak is verstrengeld met de ‘materiële technologie’ van bijvoorbeeld de zwangeschapstest, de pil, de echo, en ivf.

Door de komst van de zwangerschapstest (materiële technologie) kon je bijvoorbeeld eerder zwanger gaan heten (talige technologie) dan voorheen en dat heeft zowel positieve als negatieve gevolgen voor zwangere vrouwen gehad.

Wat eeuwenlang slechts het ‘opwekken van de maandstonden’ heette, werd door de zwangerschapstest eveneens een ‘vruchtafdrijving’ of ‘zwangerschapsafbreking’.

Pas vanaf de late twintigste eeuw werd dit als een ‘abortus’ geclassificeerd, wat ook niet zomaar een synoniem was. De Latijnse term ‘abortus’ impliceerde en impliceert bemoeienis van een dokter met een ongewenste bevruchting en maakt deze politiek gezien tot ‘een medisch-ethische kwestie’. Dat is iets anders dan de religieuze kwestie die velen er nog altijd in willen zien, maar ook iets anders dan de privé-aangelegenheid die het ooit was en volgens velen – onder wie de Wereldgezondheidsorganisatie – weer zou moeten worden.

Hierover schreef ik een apart artikel voor De Groene Amsterdammer (link). En een tijd later publiceerde ik een brief in NRC over de Tweede Kamer die het voorstel afwees om buitenlandse vrouwen -bijvoorbeeld verkrachte Oekraïnse vrouwen- online te begeleiden bij het gebruik van zwangerschaps-beëindigende medicatie (link).

Net zoals het woord ‘adhd’ of ‘depressie’ dus geen neutrale framing is van menselijk falen en verdriet (mijn eerdere boeken), zo is ‘abortus’ dat niet van het stoppen van een ongewild zwangerschapsproces. De classificatie ‘abortus’ verwijst naar de noodzaak van een dokter bij het ongedaan maken van een bevruchting – ook als dat strikt medisch gezien onnodig is.

Je ziet dat nog terug in discussies over ‘de abortuspil’. Terwijl de vroegere kruiden voor het ‘opwekken van de maandstonden’ bij de kruidenier werden gekocht, is men voor de (eindelijk echt veilige) stoffen van nu afhankelijk van een arts.

Dus blijven hedendaagse vrouwen nog altijd hun eigen winkeltjes zoeken om de middelen te kopen – al hebben die nu vooral een webadres.

Dit boek biedt echter geen opsomming van dergelijke voorbeelden, maar lopende historische verhalen. Daarin komen gaandeweg meer momenten ter sprake waarbij talige en materiële technologie met elkaar verbonden zijn geraakt.

Oude en nieuwe feiten

De feiten over ongeborenen verschillen dus ook fors in de tijd. Tot in de negentiende eeuw hadden vrouwen geen ‘eicel’ in hun lijf maar een ‘ei’. Zie de afbeeldingen hierboven: dat ei kon de hele baarmoeder vullen, leidde tot spotprenten waarop vrouwen eieren baren met mensjes erin, evenals gravures zoals die van het jongetje dat kordaat uit zijn ei tevoorschijn komt – al had het geen snaveltje om de schaal mee te openen.

Zo’n snaveltje was voor een mensenkind niet nodig. Deze gravure uit 1690 verbeeldt een ‘ei zonder schaal’ waarin ‘een kleyn, wit, en vetagtig lighaamtje dreef’. De verwondering spat van de oude boekpagina af, want dat ‘lighaamtje’ in dat zachte ei leek ‘een begonnen ontwerpsel van een kindje’ te zijn!

Opmerkelijk genoeg ziet het ‘begonnen ontwerpsel’ er wel uit als een mini-mensje dat rustig met de handjes op de knietjes zit af te wachten hoe het verder gaat.

Zoals woorden en getallen de realiteit niet kunnen vangen maar deze vérvangen, zo zijn beelden geen afbeeldingen maar vérbeeldingen. Ook als ze wel goed zijn gemaakt, spreken ze niet namens de werkelijkheid, want mensen spreken met behulp ervan over de werkelijkheid.

Dat zie je al helemaal aan het weglaten van de vrouwen op de meeste verbeeldingen van de processen in hun zwangere buik. En je ziet het aan de eieren-barende vrouw op de afbeelding hierboven. Hier is de vrouw weliswaar mee verbeeld, maar dan als een weerzinwekkend en kwaadaardig mens (zie ook wat ze al barend met haar beide handen doet).

Het kind dat op de volgende plaat uit het ei stapt, lijkt ook op een kleuter in plaats van een baby. Wij glimlachen om het ‘nog primitieve’ oude beeld, maar een 17de-eeuwer zou lachen om die van ons – en toekomstige mensen zullen dat waarschijnlijk ook gaan doen.

Zonder interpretaties door een echoscopist is aan een hedendaagse zwangerschapsecho nog minder te zien dan aan die oude platen. Toch heeft vooral de echoscopie er (samen met maatschappelijke ontwikkelingen) sterk aan bijgedragen dat ongeborenen daadwerkelijk als echte kindjes zijn gaan gelden want daarmee zien mensen hun eigen ongeborene.

Sinds speciale apparatuur ultrasone golven kan vertalen in beeld en geluid en daarme pulserende cellen opvangt die zich later tot een hart zullen ontwikkelen, wordt ongeborenen zelfs een al bestaand ‘kloppend hartje’ toegeschreven. Dat houdt een betekenisverandering van de classificatie ‘hart’ in, die voorheen nog verwees naar een orgaan dat geheel zelfstandig een lichaam in stand houdt. Dat het hart (en het hele lichaam) van de vrouw van het grootste belang is voor de ontwikkeling van een foetus raakt op die manier buiten beeld.

Het beeld van het ‘groene embryo ‘ op het omslag van dit boek (met dank aan het Francis Crick Institute en Wellcome Collections Londen) is gemaakt met behulp van hedendaagse ‘optische projectie tomografie’. Hij is ook niet van zichzelf zo fraai groen met een purper ‘hartje’ , maar ingekleurd met behulp van immuunhistochemie.

Bij dit verbeelde feit kwamen dus al helemaal ingrediënten kijken, zeker als je ook nog verdisconteert dat het om een verbeelding van een ivf-embryo gaat, dat bovendien van een transgene labmuis kwam.

Net zoals het kloppende hartje als product van menselijke technologie is dit duidelijk een gemaakt feit over een door mensen gevormde werkelijkheid, dat vervolgens die werkelijkheid ook weer beïnvloeden zal.

Hoe verhoudt de groen-purperen afbeelding zich dan tot de realiteit? Een getekend of gefotografeerd portret van een geboren mens is al een afgeleide van die persoon. En ongemoeid gelaten bestaan ongeborenen uit weefsel, bloed en botjes, in plaats van papier, inkt en pixels. Ongemoeid gelaten maken ze ook geleidelijke processen door, die niet van zichzelf in millimeters en fasen zijn verdeeld.

Meer dan een buik met inhoud

Maar Ei, foetus, baby focust niet alleen op de inhoud van een zwangere buik en ook niet alleen op het onderzoek daarnaar door beroemd geworden mannen. Het boek is denkend vanuit de zwangere vrouwen geschreven. Hoe kwamen de onderzoekers eigenlijk aan hun onderzoeksmateriaal? Al zit dat embryo’tje uit 1690 er nog zo kalmpjes bij, de plaat hoort bij een verslag van een dramatische miskraam die indertijd tot in detail is beschreven.

Na verloop van tijd wilden onderzoekers ook levende en gezonde ongeborenen kunnen gaan bestuderen. Hoe zijn bijvoorbeeld deze filmpjes uit midden 20ste eeuw tot stand gebracht toen de echo nog niet beschikbaar was? De suggestie is dat de opnamen in een baarmoeder zijn gemaakt, maar waar kwam dan dat voorwerp vandaan dat het kleine wezentje aanstoot?

Het was onmogelijk om neutraal te blijven bij het maken van dit boek, want daar bleek de materie regelmatig te schokkend voor. En het gaat minstens zoveel over afgebroken als uitgedragen zwangerschappen, want de beëindiging van zwangerschap – gewenst of ongewenst, en spontaan of uitgelokt – is een inherent onderdeel ervan.

Ei, foetus, baby schetst dus een geschiedenis van feitenvorming over zwangerschap – uitgedragen en niet-uitgedragen – met oog voor de betekenis daarvan voor zwangeren. Nieuwe technologie is vaak gepaard gegaan met nieuwe classificaties en dat had steeds weer andere gevolgen voor hun rechten en plichten – waarvan de eerste in sommige opzichten zijn verminderd en de tweede vergroot.



Rechtstreeks naar de historische bronnen

De historische bronnen voor Ei, foetus, baby zijn niet altijd gemakkelijk traceerbaar voor anderen. Daarom zijn er links in de noten aangebracht waarmee lezers ze zelf kunnen openen, wat naar uniek oud materiaal kan leiden. Met de papieren versie lukt dat uiteraard niet en in de tweede druk zijn de noten niet opgenomen. In plaats daarvan is het notenbestand nu elektronisch beschikbaar onder deze link. Daarnaast staat dit bestand op de website van de uitgeverij. Het is te vinden met ‘atlascontact notenappraat Dehue’ oftewel onder deze link.

Als een link niet gemakkelijk opent, probeer het dan met de rechter muisknop.