‘Trudy Dehue kan een onderwerp op de publieke agenda zetten … schokkende, goed onderbouwde verhalen’

Foto Inge Hoogland KNAW

Onderzoek naar feiten

De vraag ‘wat telt als een X?’ (een planeet, een dier, een baby, armoede, vrije wil, een stoornis, of een moord) gaat bijvoorbeeld altijd aan feitenproductie vooraf. Antwoorden op dergelijke vragen zijn ook onvermijdelijk normatief van aard.

Waarom delen we vleesetende planten bijvoorbeeld in bij de planten? Kennelijk telt ‘vlees eten’ niet het  als centrale criterium voor dierlijkheid. Maar wat dan wel? In mijn boek-in-de-maak onderzoek ik de geschiedenis van steeds wisselende criteria ervoor.

De 'Venus Fly Trap' 
afbeelding uit 1790,
(met dank aan biodiversitylibrary.org)

Feiten en criteria of normen zijn dus niet gescheiden, maar juist innig verstrengeld met elkaar. Telt iets als een plant dan behandelen we het ook anders dan wanneer het telt als een dier. Van een plant scheur je bijvoorbeeld rustig een blad af, maar van een dier niet een oor. Dat we mensen wel als dieren tellen, maar dieren niet als mensen, heeft echter weer tot gevolg (en misschien zelfs tot doel) dat we mensen niet op mogen eten en dieren wel.

Lewis Carrol zag al goed dat onze indelingen van de werkelijkheid, voorafgaand aan onze feiten, menselijke maaksels zijn plus werkelijkheden maken. Hij liet een ‘mug zo groot als een kip’ aan Alice uitleggen dat dieren zichzelf niet in soorten indelen, waarop Alice besefte dat de namen van dieren niet nuttig zijn voor hen zelf maar wel voor mensen. Ze bedenkt onder andere dat honden een naam hebben voor het geval ze zoek raken, want dan kun je zo’n advertentie plaatsten met de tekts ‘Luistert naar de naam Sprinter en draagt een leren halsband’ (waarbij ook de halsband veelzeggend is).

Uit Lewis Carroll, 
Through the Looking Glass, 1871)
(tekening Peter Newell, met dank aan archive.org).

Het gaat, anders gezegd, om ‘classificaties’ en belangrijk is dat classificaties consequenties hebben. Een gekozen definitie van armoede werkt ook door in de armoedecijfers en die weer in het armoedebeleid.

En hoeveel moorden worden er jaarlijks gepleegd? Dat hangt af van de definitie van een moord. Toen de Hoge Raad deze definitie aanscherpte kregen we vaker een ‘doodslag’ in Nederland en dus een lager moordcijfer. En wie een embryo als een baby telt en abortus dus als moord, komt weer tot veel hogere moordcijfers voor Nederland. En deze classificatie heeft al helemaal consequenties.

Minstens ze sterk als de ingrediënten van ons voedsel bepalen de ingrediënten van wetenschappelijke feiten dus de aard en kwaliteit van ons bestaan. Daarom interesseren ze me. Wat telt als normaal of abnormaal? Wat telt als een man of een vrouw, een homo of hetero? Waarom vinden we het zo belangrijk mensen in te delen op basis van huns sekse, of hun seksuele voorkeur. Dat bepaalt de natuur toch niet voor ons?

Wie maakte de definities ervan en hoe werden die gebruikt in een onderzoek? Wat zijn de consequenties van de gemaakte keuzen- bijvoorbeeld van de sterk gegroeide aantallen menselijke eigenschappen die tellen als een stoornis?

Momenteel werk ik aan een nieuw boek over deze thematiek, waarover ik wat meer vertel onder ‘publicaties’. Mijn belangstelling ervoor kent een lange voorgeschiedenis.

Loopbaan

Mijn werkende bestaan begon ook eind jaren zeventig in de kinderpsychiatrische kliniek van het Academisch Ziekenhuis te Groningen – met een hbo-diploma uit Maastricht. Mijn functie was die van ‘observatrice’. In die rol begeleidde men één kind en rapporteerde men over dit kind aan de artsen in de kliniek.

Deze leerzame periode maakte dat ik meer wilde weten en een universitaire opleiding psychologie begon (afgestudeerd in 1983). Omdat ik daarna vond dat ik nog te weinig begreep, voegde ik er een universitaire studie in de wetenschapsfilosofie aan toe (afgestudeerd in 1985).

Vervolgens liet de combinatie van de psychiatrische praktijk en deze twee disciplines me lange tijd niet meer los. Het onderzoeken van de psychologische en psychiatrische wetenschap zowel als praktijk werd mijn specialisme.

Mijn wetenschappelijke inspiratiebron werd niet alleen wetenschapsfilosofie, maar het bredere veld van het ‘wetenschapsonderzoek’, internationaal ‘science and technology studies’ geheten. Dat vakgebied legt zich toe op het onderzoeken van wetenschap, op een theoretische en op een empirische manier.

In 1990 promoveerde ik op een proefschrift over de veranderende betekenis van het begrip ‘wetenschap’ en ‘objectiviteit’ in de psychologie, bij de hoogleraren Pieter van Strien en Gerard de Vries. Dit (cum laude) proefschrift verscheen direct ook als het boek De regels van het vak bij Van Gennep (1990). Een paar jaar later kwam het in vertaalde en bewerkte vorm ook uit bij Cambridge University Press als Changing the Rules (1995).

In de tussentijd werd ik universitair medewerker in Groningen bij Psychologie evenals postdoctoraal onderzoeker bij de vakgroep Wetenschapsdynamica van de UvA.

Van 1995 tot aan mijn pensionering in juli 2016 was ik hoogleraar aan de Universiteit Groningen. De officiële naam van de leerstoel was ‘theorie en geschiedenis van de psychologie’, maar dat dekt de lading niet. Ik ontwikkelde me tot wetenschapsonderzoeker van verschillende disciplines die mensen bestuderen. Niet alleen de psychologie had mijn belangstelling, maar ook de psychiatrie, het hersenonderzoek en het genetisch onderzoek (en voor mijn nieuwe boek richt ik me op het biologische begrip van een soort en op de embryologie en obstetrie).

Ik publiceerde een tijd lang artikelen in Engelstalige wetenschappelijke tijdschriften. Daar leerde ik veel van en het bracht me interessante contacten met collega’s uit allerlei landen. Zo werd ik bijvoorbeeld ook bestuurslid van het European Neuroscience and Society Network, gefinancierd door de European Science Foundation, wat opnieuw erg leerzaam was.

Na verloop van tijd ervoer ik het steeds meer als een probleem dat wetenschapsbeoefenaren bijna alleen met directe vakgenoten communiceren. Wij wetenschaps-onderzoekers schreven over wetenschap, maar onze inzichten bereikten de onderzoekers niet wier disciplines we bespraken.

Ook viel het op dat het debat over wetenschap in de Nederlandstalige pers niet door het wetenschapsonderzoek werd gevoed. Dat valt te verwachten als de inzichten uit dat vakgebied slechts in Engelstalige wetenschappelijke tijdschriften worden uitgewisseld.

In het Nederlands

Dus besloot ik in het Nederlands te gaan schrijven voor wetenschapsbeoefenaren uit verschillende disciplines, maar ook voor lezers met belangstelling voor wetenschap die niet aan aan een universiteit werken. Om die laatste reden nam ik de uitnodiging aan van Tilly Hermans om een boek te schrijven voor haar prachtige uitgeverij Augustus met geweldig goede fictie-schrijvers.

Het boek De depressie-epidemie (1ste druk mei 2008; tiende druk 2019) kreeg meteen overweldigende ontvangst in allerlei kringen binnen en buiten de universiteit. Het werd bekroond met de NWO Eurekaprijs 2009. Uit het juryrapport (link): ‘Dit is een bijzonder boek, omdat het langs de weg van de historische analyse, met een goed onderbouwde methodologische en wetenschapstheoretische kritiek en op basis van een oprechte bezorgdheid over ontwikkelingen in de samenleving als onbetrouwbaar ijs ontmaskert wat altijd voor een stevig fundament werd gehouden.’

In hetzelfde jaar was ik zomergast bij het VPRO-programma Zomergasten, waarbij ik filmfragmenten kon laten zien over alles wat me boeit, variërend van een clip met Jan Wolkers en een met de filosoof Karl Popper tot fragmenten uit The Soprano’s en uit de optredens van de cabaretière Brigitte Kaandorp.

Eveneens tot mijn trots plaatste NRC Handelsblad De depressie-epidemie in 2010 op een lijst met de 15 beste werken uit de 21ste eeuwse internationale nonfictie literatuur. En in 2011 werd ik benoemd tot officier in de orde van Oranje Nassau vanwege (zoals de officiële toelichting meldde) ‘mijn wetenschappelijke verdiensten zowel als mijn bijdragen aan het maatschappelijke debat’.

Het boek Betere mensen (1ste druk juni 2014, vijfde druk september 2019) kreeg opnieuw uitvoerig aandacht met veel interviews en recensies en leidt ook tot prachtige uitnodigingen voor een lezing. Het leidde tevens tot een uitnodiging voor een dubbelinterview met de door mij bewonderde schrijfster Nelleke Noordervliet in de reeks Zomeravondgasten van NRC Handelsblad 2014. Eind december meldde Atheneum Boekhandel dat het tot de top tien van de meest verkochte boeken in de sociale wetenschappen hoorde.

Sinds 2016

Halverwege 2016 vertrok ik bij de Universiteit Groningen (wegens pensionering / emeritaat). Daarna gaf ik met groot plezier nog drie keer de cursus ‘Geluk als plicht en prestatie’ voor het gezamenlijke honoursprogramma van de UvA, de VU, en het Amsterdam University College.

In 2019 ontving ik de Akademiepenning van de KNAW ‘voor een persoon die zich bijzonder heeft ingezet voor de bloei van de Nederlandse wetenschap’ (link naar het juryrapport / de laudatio) . Dat is een geweldige kroon op mijn werk, en tegelijk een erkenning van het vakgebied Wetenschapsonderzoek, evenals van vrouwen in de wetenschap. De 43 eerdere ontvangers (link) waren allemaal man (als ging hij in 1994 naar Pierre Dubois samen met diens echtgenote Kitty Dubois).

De uitnodigingen voor gastcolleges en lezingen blijven komen. Ik leer zelf ook veel van de grote variatie aan organisaties waar ik mag komen spreken. Verder werk ik, als gezegd, aan een nieuw boek, waarover meer onder ‘publicaties’.

Tenslotte: mijn foto’s

Verder maak ik macrofoto’s van scènes die ik zelf eerst heb gebouwd. Het zijn dus geen natuurfoto’s, maar foto’s van een werkelijkheid die ik heb gecreëerd. Er staat steeds een insect op, omdat de combinatie van kwetsbaarheid en ondernemingszin van die kleine beestjes me boeit. Verder variëren mijn attributen van belichting tot papiertjes, stukjes glas of spiegel, druppels water, schelpen, veertjes, draadjes, kralen, keukenkruiden, zaden, of watten.

Elke gefotografeerde scene is slechts ongeveer één vierkante centimeter groot. Sommige van de foto’s zijn op deze site te vinden onder ‘in de media’. En hierbij het drieluik getiteld ‘Mayday Mayday’:

Afgedrukt komen de foto’s het best tot hun recht op plexiglas. Een deel ervan is echter ook als briefkaart te koop bij De Stadsakker in Groningen. Voorbeelden daarvan zijn deze kaarten van de houtworm-kever en een wespje:

Stuur bij belangstelling een mailtje naar info@trudydehue.nl.