Over de keizersnede voor de doop van ongeborenen, en de recente reacties van katholieke zijde

(dit is een ‘levend document’ dat ik regelmatig bijwerk)

Op 1 december 2025 publiceerde dagblad Trouw een interview met mij (p1, link en p.2, link) over vervolgthema’s op Ei, foetus, baby. Heel kort kwam daarbij ook een onderwerp uit dit boek ter sprake, waarover ik in interviews en lezingen meestal maar zweeg.

Het gaat om het akelige opensnijden van zwangere vrouwen als een katholieke geestelijke oordeelde dat de ‘zondige ongeboren ziel’ tijdens de zwangerschap al moest worden gedoopt.

Inderdaad, dit klinkt erg ongeloofwaardig. Ook ik kon mijn ogen niet geloven toen ik er een paar jaar geleden op stuitte. Maar ik ging op nader onderzoek uit, en hieronder lever ik veel bewijs dat deze afschrikwekkende – en liefst verborgen gehouden – ingreep tot ver in de twintigste eeuw is voorgeschreven en uitgevoerd.

Ik ben er meer over gaan spreken en op deze website over gaan schrijven vanwege mijn groeiende besef dat het achterliggende denken grondleggend is geweest voor de omgang met vrouwen, en al helemaal voor de huidige wetgeving omtrent een ongewild ontstane bevruchting.

Ook de ontkennende reacties van hedendaagse katholieke autoriteiten geven aanleiding om het onderwerp te blijven aankaarten.  In mijn boek kon ik  niet alle bewijsvoering kwijt en dus vul ik hem hieronder verder aan.

Paragraaf 1 geeft een eerste indruk van katholieke instructies voor het operatieve dopen, evenals drie eerste voorbeelden van de daadwerkelijke uitvoering ervan. Ik heb de namen van de betrokken vrouwen nog kunnen traceren.

Paragraaf 2 beschrijft hoe hedendaagse katholieke autoriteiten – allen man uiteraard – onlangs hooghartig en ontkennend op het bewijs reageerden. Maar velen vóór mij hebben het onderwerp al aangekaart, en vanaf 1869 werd de ingreep wettelijk verboden, al stopte de praktijk daarmee niet.

Waarom kon er trouwens niet buiten op een zwangere buik worden gedoopt? De verbluffende argumenten voor de operatieve doop komen eveneens in paragraaf 2 aan bod.

In de paragrafen daarna laat ik zien dat reeksen door Rome goedgekeurde theologische werken de argumenten in de loop der eeuwen  hebben uitgewerkt tot in steeds verder detail. Ook stapels daardoor geïnspireerde medische leerboeken komen aan bod. En gaande het verhaal groeit de reeks van uitgelekte toepassingen van dit afschrikwekkende ritueel.

1. Een bloederig sacrament

Men spreekt bij dit katholieke ‘sacrament’ van een intra-uteriene nooddoop, een extra-uteriene nooddoop, prenatale doop, foetusdoop, of vruchtdoop. Al die woorden verhullen dat daar ook een vrouw mee was gemoeid.

Na zo’n ingreep stierf de vrucht in elk geval. En was de vrouw nog in leven dan doodde hij ook haar. Daarna werden beiden begraven met bij de burgerlijke stand hooguit de aantekening ‘doodgeboren kind’ en voor de vrouw kortweg ‘overleden’ of ‘gestorven in het kraambed’.

Ter introductie van de stapel katholieke leerboeken die deze praktijk voorschreven aan priesterstudenten, artsen, verpleegkundigen en vroedvrouwen, noem ik alvast het Katholiek Verpleegstersboekje door priester P.A. Popma dat tot 1950 is herdrukt (link).

Dit zakboekje benadrukt dat wettelijk gezien alleen artsen in levende of dode mensen mogen snijden. Maar, vervolgt het, als katholieke verpleegster kun je ook je eigen geweten volgen.

De verpleegskundige had daarna wel een zwijgplicht, om te beginnen na een stiekeme nooddoop bij een pasgeborene van niet-katholieke ouders, want daar kon ‘zeer gemakkelijk een heftige afkeer van het katholicisme’ door ontstaan. En bij een operatieve doop bestond, schreef Popma, zelfs ‘het gevaar van gerechtelijke vervolging met alle openbaarmaking daaraan verbonden’.

Hoe vaak is de keizersnede voor de doop dan daadwerkelijk uitgevoerd? De echte cijfers voor verborgen misdaden blijven voor altijd een ‘dark number’, zoals de criminologie dat noemt. Dat geldt al voor het precieze aantal verkeersovertredingen, en bijvoorbeeld ook voor het seksueel misbruik door katholieke geestelijken (waarvoor de tellingen in Nederland tussen 1945-2010 na jarenlang grondig onderzoek uitkwamen op de nogal ruwe schatting van 20.000 tot 30.000 keer, link).

Ook het aantal moorden is blijvend onbekend en dat geldt al helemaal voor de vorm van religieus geïnspireerde femicide die hier aan de orde is.

Tegelijk was Popma’s angst voor uitlekken niet ongegrond. In 1955 is er nog grote ophef over zijn eigen verpleegstersboekje ontstaan, nadat niet-katholieke ouders de stiekeme nooddoop van hun pasgeborenen hadden ontdekt (link). Daarbij kwam de operatieve doop niet ter sprake, maar Popma’s waarschuwingen voor strikte geheimhouding daarvan waren wel ingegeven door gevallen die eerder tot publieke verontwaardiging hadden geleid.

Ronduit woedend had het tijdschrift De Protestant in 1822 bijvoorbeeld gesproken van ‘onbekwame Roomsche vroedvrouwen’ en ‘domme priesters’ die met hun ‘dweepziek onverstand’ en uit ‘louter fanatisme’ de vrucht aan vrouwen ‘ontrukken’ en hen daarbij ‘vermoorden (want hoe zou het anders heeten?)’.

De Protestant waarschuwde ook al dat de aantallen onbekend zullen blijven: ‘zulke heilige moorden zullen niet licht onderzocht, ontdekt of gestraft worden’. En als er al eens rechtszaken van komen, zijn de rechters eveneens ‘van die dweepzieke Roomschen’ (link, p.72-73).

Dergelijke protesten zijn er in alle tijden geweest, want regelmatig ontsnapte een zaak toch aan de nagestreefde doofpot. En helpen deden ze voorlopig niet, want al snel na het artikel in De Protestant zijn er opnieuw een paar gevalleen aan het licht gekomen.

Het eerste voorbeeld uit de 19de eeuw dateert van 1827. Toen een zwangere vrouw onwel was geworden, had haar buurvrouw het uitdrukkelijke voorschrift opgevolgd dat je daar allereerst de pastoor bij haalt. En die had daarop de nachtmerrie veroorzaakt, beschreven in het onderstaande knipsel:

Fragment uit een langer verslag in de Algemeene Konst- en Letterbode, 1833

De auteur van dit geschokte verslag is stadsdokter De Koning uit Zaltbommel, die door de burgemeester naar het betrokken huis in het nabije Hurwenen was gestuurd. Al verscheen zijn verslag pas zes jaar na dato in druk, hij wist er nog bij te vermelden dat het om ‘de huisvrouw van F. Hoskam’ was gegaan, die hij op 8 augustus 1827 samen met haar dode baby in die afschuwelijke toestand aangetroffen had (link).

Met die gegevens heb ik de vrouw en haar kind in de overlijdensregisters terug kunnen vinden. Op 8 augustus 1827 blijkt de 40-jarige Maria van den Heuvel uit Hurwenen als gewoon ‘overleden’ te zijn geregistreerd, evenals haar ‘doodgeboren’ dochtertje N.N., wat staat voor ‘nomen nescio’ oftewel ‘zonder naam’ (link).

In hulpeloze hanenpoten zijn beide meldingen ondertekend door haar echtgenoot Frans Hoskam. Als schrijnend detail staat er nog bij dat hij zijn dode baby aan de beambten heeft getoond:

Aangifte van het overlijden van Maria van den Heuvel en van haar kind. Onderaan staat Hoskams verklaring dat zijn vrouw ‘is bevallen van een doodgeboren kind’ met de toevoeging ‘en hebbe het zelve ons vertoond’.

Dit is niet alleen schokkend vanuit hedendaagse normen zoals het citaat uit De Protestant al liet zien. En volgens de toenmalige Curaçaose krant bewees het geval uit Hurwenen ‘hoe donker het er nog uitziet in het brein van sommige geestelijken der Roomsch Katholieke kerk’ (link).

Zoals gezegd zal niet elk geval zijn genoteerd, en lang niet alle genoteerde gevallen zullen tegenwoordig toegankelijk zijn. Maar door digitalisering komt dit soort berichten nu steeds meer bovendrijven.

Journalisten blijken het verweer van snijdende pastoors dat de vrouw toch al overleden waste hebben betwijfeld. Maar, zoals De Protestant al had voorspeld, de zaken bleven doorgaans ongestraft, of leidden hooguit tot een kleine financiële boete, die ook nog uit het collectegeld der parochianen werd betaald.

In 1860 berichtten verschillende kranten bijvoorbeeld over een casus waarop wel een rechtszaak volgde:

Uit de Utrechtsche Provinciale en Stadscourant van 31-10-1860 (link)

De persoon achter ‘de vrouw van Jannes Korf’ uit het dorpje Lonneker heb ik eveneens in de archieven teruggevonden. Ze heette Janna Sanderink, werd 36 jaar oud, en liet drie eerdere kinderen achter, waarvan de oudste zeven jaar. Het overlijdensregister meldt weer simpelweg ‘overleden’ en ‘bevallen van een kind (…) welk als levenloos wordt aangegeven’ (link).

Met alleen de overlijdensregisters als bron, komen dergelijke overlijdens dus niet in de cijfers terecht van het aantal vrouwen en ongeborenen dat op deze wijze is gedood. In Sanderinks geval is er echter wel een zaak van gemaakt.

Twee weken na het pastorale mesgebruik zijn de rechter, officier, en griffier van de Almelose rechtbank nog naar Lonneker afgereisd om het opgraven van haar lijk bij te wonen. Zij hebben toen haar opengesneden lichaam met daarin het lijkje gezien, en pastoor Lambertus Scholten Reimer kreeg een boete van 25 gulden (link). Dat was bij dergelijke zaken relatief veel, zoals uit het derde voorbeeld blijkt.

In 1871 was de ‘huisvrouw van Gerrit Houkes’ uit het Brabantse gehuchtje Empel aan de beurt. Zij was zeven maanden zwanger toen pastoor Petrus Franciscus van der Meulen uit het naastgelegen Engelen, met diens scheermes een kruislingse snede door haar buik- en baarmoederwand maakte:

Uit de Arnhemsche Courant van 23-12-1871 (fragment van link)

Met de naam van de pastoor, de datum, en de plaats van de gebeurtenis heb ik ook hiervoor de betrokken vrouw kunnen traceren. Het ging om Johanna van Wamel, moeder van zes eerdere kinderen (link). Ook in dit geval volgde er een rechtszaak tegen de pastoor, die eveneens in de archieven te vinden bleek (link).

De machtige katholieke advocaat Emile van Zinnicq Bergmann bracht daarbij naar voren dat de pastoor alleen had ingegrepen, omdat een arts het had geweigerd. Dat een kruislingse snede verbijsterend onprofessioneel en extra gruwelijk is, deed er daarna ook niet meer toe. De katholieke rechter schoffeerde de arts en legde vijf gulden boete op nadat de officier tien gulden had geëist.

Dat waren opvallend lage boetes. Ter vergelijking: voor het beëindigen van een zwangerschap met instemming van de vrouw, werden zij en haar eventuele helpers vanaf 1811 tot het tuchthuis veroordeeld, en hulpverlenende medici of vroedvrouwen tot dwangarbeid (link, p.193). Vanaf 1886 werd dat voor de laatste groep tot zes jaar gevangenis plus een beroepsverbod (link. p.77).

Er werd geen uitzondering gemaakt voor medisch geschoolde hulpverleners die hadden ingegrepen om het leven van de vrouw te redden. Dit terwijl dat vaak nodig was vanwege een obstructie van het baringskanaal, een infectie van de vrucht, of ernstig zwangerschapsbraken.

 Sinds 1811 was medische hulp om de vrucht langs vaginale weg te verwijderen eveneens wettelijk verboden. Dit terwijl vrouwen in dergelijke levensbedreigende omstandigheden van de katholieke autoriteiten dus wel een dodelijk keizersnede moesten ondergaan voor de doop van hun vrucht.

Omdat de katholieke autoriteiten de ongeborenen voor een doop nog levend in eigen handen wilden krijgen, was het verbod op de levensreddende zwangerschapsafbreking toen ook al eindeloos beschreven in de priesterhandleidingen waaruit ik verderop citeer.

De zware term ‘abortus provocatus’ en de huidige afkorting ‘abortus’ danken we dan ook regelrecht aan het katholieke Latijn uit dergelijke werken. Midden 19de eeuw gebruikte verder niemand die benaming nog: niet-katholieke medici hadden het over een ‘kunstbewerking’ of ‘mauuale operatie’ (link). En het ongedaan maken van een bevruchting op eigen initiatief van de vrouw heette sinds eeuwen ‘het opwekken van de maandstonden’, of ‘menstruatie uitlokken’, zoals het zelfs tot in de jaren 1970 zou worden genoemd.

Als de vrouw daarbij hulp had gekregen heette dat evengoed geen ‘abortus’ (en zelfs geen ‘vruchtafdrijving’ of zwangerschapsafbreking’) maar ‘het doen misvallen van een vrouw’. En de eerste wereldse wetgeving daartegen is onder katholiek bewind tot stand gebracht: het ging in 1811 om de vertaalde versie van de Franse Code Pénal, die door Napoleon tevens in de Nederlanden was ingevoerd.

Medisch verantwoord redden of helpen van een vrouw vanwege een reëel probleem werd dus vele malen zwaarder bestraft dan haar amateuristisch opensnijden vanwege een fictieve ziel.

Deze uiterst lugubere vorm van femicide moet kunnen worden aangekaart, ook vanwege de angstwekkende dreiging die er gedurende een hele zwangerschap vanuit is gegaan.

Een enkele kritische man heeft dat laatste begrepen: in 1683 beschreef vroedmeester François Mauriceau, wiens werk werd vertaald in het Nederlands, bijvoorbeeld hoe vrouwen in het Parijse ziekenhuis Hôtel Dieu elkaar hierover horrorverhalen vertelden (link). En de negentiende-eeuwse historicus William Hartpole Lecky, gehuwd met een Nederlandse vrouw, tekende aan dat zwangerschap toch al  erg risicovol was, terwijl de katholieke kerk daar nog een ‘doodelijken angst’ aan toevoegde. Hartpole Lecky citeerde daarbij de uitspraak van een bisschop: ‘Wees ervan verzekerd dat (…) ook de kleine kinderen die (…) in de schoot der moeder (…) gestorven zijn (…) gestraft zullen worden door de eeuwige foltering van onuitblusbaar vuur’. Vrouwen verzonnen dus zelf allerlei rituelen om dat onheil af te wenden. Maar in al hun wreedheid, stelde Hartpole Lecky bitter vast, wezen de katholieke theologen dat soort ‘bijgeloof’ als ongeldig van de hand (link).

Naar pleidooien voor meer barmhartigheid door andersgelovigen of van artsen werd eveneens niet geluisterd. Vanaf het moment dat het snijden door niet-medici wettelijk verboden was, lieten de priesters dat deel van de doopceremonie het liefst over aan een arts. En vanaf de jaren 1910 en 1920, toen mijn katholieke oma’s hun kinderen kregen, maakten hun zielzorgers hen wijs dat de keizersnede inmiddels een tamelijk probleemloze ingreep was, zodat ze de ‘moederplicht’ hadden om er zelf voor te kiezen hun mogelijk stervende vrucht operatief te laten dopen.

In de eerste helft van de 20ste eeuw was er echter nog geen effectieve infectiebestrijding en anesthesiologie. En bin een (veel voorkomend) te nauw bekken in combinatie met een verbod op voorbehoedsmiddelen plus de plicht tot seks was er bovendien een groot risico op spontaan openscheuren van een herhaalde keizersnede.

Toch was er voor de generatie van mijn moeder nog een gratis verspreid katholiek voorlichtingsboekje:

Fragmenten uit het veel herdrukte voorlichtingsboekje Over het doopsel in tijden van nood, versie 1938 (link). In die tijd begon de keizersnede enigszins veilig te worden.

In de druk van 1938 staat dat er tenminste 31.000 exemplaren van dit voorlichtingsboekje zijn verspreid. En  het schreef zelfs voor dat ook vermeende zwangerschappen moesten worden vermeld, waartoe ook huisgenoten verplicht waren:

Fragmenten uit het veel herdrukte voorlichtingsboekje Over het doopsel in tijden van nood, versie 1938 (link). In die tijd begon de keizersnede enigszins veilig te worden.

Dat bleef eveneens niet zonder gevolgen, zoals dit bericht in de Groene Amsterdammer van 1950 laat zien (link):

De verbijstering van de dokter die hier rapporteert laat zien dat toen nog steeds nauwelijks bekend was wat al zo lang achter de schermen werd gedaan. Het is onjuist dat men er pas midden 20ste eeuw ‘met messen op af’ ging, zoals deze rapporterende arts dacht.

Hij zat er ook naast met zijn stelling dat de ‘doopspuit’ alleen in de middeleeuwen werd gebruikt. Die spuit was vanaf de 17de eeuw in gebruik en even vooruitlopend op het verhaal: 20ste-eeuwse leerboeken voor katholieke verpleegkundigen vertelden nog hoe hij in de baarmoeder moest worden gevoerd (wat niet eens zal zijn gelukt als deze nog strak gesloten was). Dit ondanks dat al eeuwen bekend was hoe pijnlijk de pogingen ertoe waren voor een vrouw, en ondanks waarschuwingen van 20ste-eeuwse tijdgenoten voor dodelijke infecties die door vreemde voorwerpen in de baarmoeder kunnen ontstaan.

Dit moet bespreekbaar worden omdat een onbekend aantal vrouwen fysieke en psychische mishandeling is aangedaan. Bij psychische mishandeling gaat het al helemaal om een ‘dark number’ zodat er geen precieze aantallen te geven zijn. Maar dergelijke trauma’s zullen in ‘familiegeheugens’ zijn gegrift en dus transgenerationeel zijn. Er kunnen nu nog levende kinderen en kleinkinderen leven, wier bestaan is getekend door het schokkende verlies of de vrees ervoor.

Verder is vrouwen de verplichting aangepraat tot permanente dienstbaarheid aan mannelijke behoeften, inclusief die van priesters. Vooral gehuwde vrouwen waren aldus ook tot voortdurende zwangerschap verplicht. En daardoor zijn er tot in mijn generatie veel mensen als ongewenst kind opgegroeid, wat zich levenslang wreekt.

Dit moet  ook bespreekbaar worden omdat de achterliggende ideeën vrouwen tot op de dag van vandaag leed aan zijn blijven doen. Via de abortuswetgeving wordt hun recht op zelfbeschikking nog altijd geschonden en daarmee hun gevoel van eigenwaarde aangetast.

Maar het valt nauwelijks aan te kaarten. De tegenwerpingen die ik tegenwoordig nog krijg, zet ik hieronder steeds als paragraaftitel tussen citatietekens, om er vervolgens op te reageren.

2. “Priesters deden dit hooguit om voldragen baby’s te redden”

Volgens pastoor Jan-Jaap Van Peperstraten, bekend als ‘de twitterpastoor’, doe ik ‘de waarheid geweld aan’, ben ik ‘verdwaald in de mist’, en spreek ik ‘grote woorden’. Daarnaast zijn mij onder andere ‘amateurisme’, ‘sensatiezucht’, ‘zotteklap’ en ‘humorloosheid’ te verwijten.

Dergelijke kwalificaties gaf hij in een blog naar aanleiding van het interview in Trouw, en op Twitter en Bluesky. Andere katholieke autoriteiten stelden vervolgens dat Van Peperstraten mij hiermee afdoende had weerlegd.

Dit is op zijn zachtst gezegd onbeleefd, zodat ik zijn latere reacties ongelezen liet. Maar eigenlijk is het nog erger.

Terwijl katholieke geestelijken vrouwen letterlijk het zwijgen hebben opgelegd, proberen ze dat tot op de dag van vandaag figuurlijk nog te doen.

Het interview in Trouw leidde ook tot een EO radio-uitzending waarvoor ik uitgenodigd werd (link). Het idee daarvan was een gesprek met Paul van Geest (hoogleraar kerk- en theologiegeschiedenis) en Anton de Wit (hoofdredacteur van het Katholiek Nieuwsblad).

Er ontstond echter geen gesprek, want met hen bleef het net zo goed bij pure mansplaining: ook zij wisten het bij voorbaat beter, alsof ik geen boek vol bewijsmateriaal voor België en Nederland had geschreven – en alsof daar geen reeks verwijzingen in staat naar werk van andere historici met bewijs uit talloze andere landen.

Volgens hen is de buiksnede voor een vruchtdoop nooit voorgeschreven, of hooguit in de 18de eeuw en dan zeker niet vaak uitgevoerd, of misschien toch wat vaker maar dat telt dan niet want de aantallen bewezen zaken zijn te gering.

In het Reformatorisch Dagblad (link) herhaalde prof dr Paul van Geest dat mevrouw’ een cruciale methodologische fout’ maakt, omdat ze geen harde cijfers kan geven. Het deed er duidelijk niet toe dat ik zelf net zo goed een ‘prof dr’ ben, en ook nog gespecialiseerd in wetenschapstheorie.

Het begrip ‘dark number’ zegt het al: als de onmogelijkheid van het bepalen van de exacte getallen een methodologische fout zou zijn, zou het grootste deel van de criminologie daarop zijn gebaseerd (en Van Geest zijn eigen historische vakgebied in het geheel). Ik kom op het verwijt van onzekere aantallen terug in paragraaf 7, die het aantal ontdekte gevallen van de moorddadige doop ook nog veel verder uitbreidt dan de eerstkomende paragrafen al zullen doen.

Dergelijke mannen lijken er, kortom, nog altijd niet aan gewend dat een vrouw wel eens gelijkwaardig zou kunnen zijn aan hen, en dus zeker niet dat ze iets beter zou kunnen weten omdat zij zich er grondig in heeft verdiept. Geen van hen stelde dan ook maar een enkele vraag. Ze toonden zich ook geen greintje geschokt over wat mensen door hun kerk is aangedaan, laat staan dat ze er excuses voor maakten.

Eigenlijk waren ze louter verbolgen over het onrecht dat henzelf nu ineens trof. Op de website van het Katholiek Nieuwsblad schetst hoofdredacteur Anton de Wit zichzelf expliciet als het ware slachtoffer: in plaats van ‘sensatiejournalistiek’ over sacramentele keizersnedes is volgens hem vooral historisch onderzoek nodig naar ‘de (…) achterstelling van katholieken in de Lage Landen in voorbije eeuwen’ (link).

Die was er zeker, want verdraagzaamheid, hoewel door hen geclaimd, is bepaald geen kenmerk gebleken van gelovigen. Maar vooral geldt dat een ernstige beschuldiging aan je eigen adres niet het moment is om primair te wijzen op wat jou zelf is aangedaan.

De bisschop van Haarlem, Jan Hendrik is beter-wetende man nr 4. Op diens website staat eveneens dat mijn boek slechts een enkel 18de-eeuwse werk zou bespreken (link). Ook hij heeft dat boek dus zelfs niet even doorgebladerd voor hij er tegenin ging. Alleen al de voorbeelden hierboven zijn ook 19de-eeuws, en het boek bespreekt ze uit veel meer eeuwen – zelfs nog uit de tijd waarin mijn eigen grootmoeders en moeder hun zwangerschappen beleefden zoals ook hierboven al bleek.

Het ontnemen van de vrucht aan een vrouw is al een ernstige vorm van mannelijke toe-eigening, en daar tellen de pogingen tot ontnemen van de geschiedenis nog bij op.

De katholieke woordvoerders stelden voorts in het Reformatorisch Dagblad dat pastoor Van Peperstraten het hele verhaal inmiddels adequaat had weerlegd (link). Maar die twitterpastoor kwam, zoals verteld, niet verder dan ontkennen en zelfs schelden.

Daar valt verdraaien nog aan toe te voegen, wat blijkt uit een ruim veertig jaar oude afstudeerscriptie die hij  aanvoerde als tegenbewijs voor mijn jarenlange onderzoek. Deze zou laten zien dat de betrokken geestelijken in feite reddende engelen waren . Ze zouden zich hebben zichzelf opgeofferd om voldragen baby’s op het nippertje uit gestorven vrouwen te snijden.

Maar toen ik dat werkstuk- met dank voor de tip –  opspoorde en las, bleek het verhaal het aantal kwalijke zaken en gerechtelijke veroordelingen van snijdende pastoors juist te verhogen.

Voordat ik die extra gevallen bespreek, eerst even over de claim dat die pastoors volgens deze scriptie slechts voldragen kinderen uit dode vrouwen zouden hebben bevrijd. En dat zouden ze ook nog alleen hebben gedaan nadat een dokter had geweigerd het te doen. De justitiële veroordelingen zouden dus hoogst onrechtvaardig zijn geweest.

Maar waaróm was dit in de 19de eeuw dan al strafbaar? En waarom weigerden de meeste artsen de ingreep uit te voeren? Vanwaar ook de onthutste en zelfs boze verslaggeving in de kranten in plaats van ook daarin zo’n lofzang op de hulpvaardige pastoors?

a) Het eerste deel van het antwoord is dat ook voldragen ongeborenen zo’n verschrikkelijk overlijden van de vrouw alleen kunnen overleven als de keizersnede binnen enkele minuten plaatsvindt, en uiterst professioneel plus in ideale omstandigheden is uitgevoerd.

Dat was dus zo goed als nooit. Was in vroeger tijden de vrouw inderdaad overleden (maar zie zodadelijk punt c) dan was doorsnijden van haar buik- en baarmoederwand in elk geval een ernstige vorm van lijkschennis. Daar komt nog bij dat het sterven van haar ongeborene dan vele malen bruter was dan het anders zou zijn geweest.

Vrouw en vrucht zijn immers intens met elkaar verbonden. Zelfs in de hoogtechnologische ziekenhuizen van nu is bij een hartstilstand van een zwangere vrouw razendsnel ingrijpen geboden. En ook tegenwoordig lukt het bij zo’n drama lang niet altijd om dan een voldoende voldragen foetus in leven te houden (link).

Eeuwen geleden waarschuwden heelmeesters hiervoor al. Het was dus niet voor niets dat de dokters – ook de katholieken onder hen – nogal eens weigerden om in zo’n situatie hun mes te gebruiken.

Als een dokter weigerde, moést een priester wel zelf snijden, stellen Van Peperstraten cs. Maar het was ten tweede niet voor niets dat de Begrafeniswet van 1869 snijden in levende zowel als dode mensen alleen nog toestond aan artsen.

In de voorafgaande parlementaire debatten over die wet zijn de snijdende katholieke geestelijken nog als aanleiding ertoe genoemd. Daarna kon hen gemakkelijker zo’n kleine geldboete worden opgelegd. Dit echter tot blijvende heilige verontwaardiging van henzelf en hun getrouwen, die dus tot op heden blijkt te bestaan.

b) Het tweede deel van het antwoord is dat het lang niet altijd om voldragen zwangerschappen ging.

Verderop bespreek ik gevallen uit 1901 en 1950 van opgesneden vrouwen met een zwangerschap van slechts twee en drie maanden. En het priesterblad Nederlandse Katholieke Stemmen jaargang 1917 schrijft het snijden bij ook prille zwangerschappen nog openlijk voor (link).

Ook dit had al een lange traditie. De eerste casus van een opengesneden vrouw die ik in de Nederlandse pers heb kunnen vinden dateert van 1724. Hierbij ging het om een zwangerschap van zeven maanden. En ook toen bleef de opgeroepen chirurgijn ’te lang achter’ zodat de pastoor maar zelf ‘zyn mes uyt de zak’ gehaald, waarna hij ‘het lighaem’ opende, ‘waeruyt hij de vrugt nog levendig haelde en doopte’ (link). In andere archieven zijn meer oude gevallen te vinden. Op 21 maart 1756 is de vier maanden zwangere Catharine Peters uit Tegelen bijvoorbeeld wel door een chirurgijn geopend en ook die vrucht is nog gedoopt (link, met dank aan Mieke Smits).

Dat de priesters nergens voor terugschrokken, blijkt bovendien al uit die ene scriptie die volgens Van Peperstraten zou bewijzen dat ze eigenlijk heldhaftige redders van voldragen baby’s waren.

Het betrokken werkstuk is in de late jaren 1970 geschreven door W.J.P.M. Brand, geboren in Hulst en pastoor te Hulst. De door hem beschreven casus uit de vroege 19de eeuw is die van collega De Maeyer uit Hontenisse, eveneens gemeente Hulst. En bij dit verhaal uit eigen parochie blijkt het bepaald niet om een reddende engel te zijn gegaan.

Ja, er is een krantenkop uit 1981 over deze scriptie: ‘Pastoor haalde baby met keizersnede’ (link). Maar zou er een omgekeerd verband bestaan tussen goed kunnen twitteren en goed kunnen lezen? Zelfs maar zonder het artikel eronder te lezen, moet Van Peperstraten bij het vinden van die kop meteen voor een tweet naar zijn telefoon hebben gegrepen.

Dit terwijl alleen de kop hem al moeten alarmeren. Het woord ‘haalde’ is immers nogal eufemistisch bij het snijden in een negen maanden zwangere buik. Bovendien stond er dus ook een artikel onder de kop van De Provinciale Zeeuwsche Courant. En dat artikel beschrijft pastoor De Maeyer als een recidivist die het ook op vrouwen met prille zwangerschappen had gemunt:

Uit de Provinciale Zeeuwsche Courant 9-7-1981 (link, twee artikelen op dezelfde pagina)

In de behandelde periode van een kleine tien jaar (1832-1841) blijkt De Maeyer dus drie keer op het bloederige mesgebruik te zijn betrapt en dat zelfs bij een vrouw met een zwangerschap van vijf maanden, op welk moment er bepaald nog geen voldragen baby is. De rechter had hem dan ook gedreigd met een half jaar gevangenisstraf als hij een vierde maal zou worden gesnapt.

De keizersnede voor de doop is ook nooit door de katholieke kerk verdedigd, betogen Van Peperstraten c.s. verder nog. Dat ook dit niet klopt staat uitvoerig in mijn boek, en ze hadden al kunnen weten als ze alleen die oude afstuurscriptie even hadden ingekeken.

Het gedegen en goed geschreven werkstuk beschrijft niet alleen verschillende gevallen, maar blijkt daarnaast openlijk te erkennen dat de gruwelijke operatie in zowat álle katholieke theologische geschriften voorgeschreven werd.

Verder beschrijft auteur Brand zijn vroegere collega-pastoor De Maeyer als een ‘scrupuleus’ en ‘rigoristisch’ man. Deze blijkt bijvoorbeeld nog bij zijn bisschop te hebben aangedrongen op vergelding voor een dokter die had geweigerd een vrouw kant en klaar geopend voor hem te presenteren. Kon die dokter misschien voortaan de heilige communie worden ontzegd?

Dat was bovendien nogal schijnheilig, want behalve een boete van tweehonderd gulden en dreigende gevangenisstraf leverde De Maeyers eigen snijwerk hem grote voldoening op: ‘En nu zal ik eeuwige vreugde genieten in de hemel’, heeft hij volgens Brand eens gejubeld na zo’n ingreep (in het Latijn uiteraard: ‘Et sic in coelis jam aeternis fruitur gaudiis’).

Ik stel de lezenswaardige scriptie bij deze beschikbaar voor iedereen (link). Lees hem voordat u zich op de inhoud beroept, zou ik zeggen. Het – soms met verbijstering geschreven – werkstuk zal blijken nog meer leerzame inhoud te bevatten, bijvoorbeeld over pastoors die ongevraagd de lange haren afknipten van meisjes en vrouwen, zwanger of niet. Velen van de zielzorgers bevonden zich daarnaast regelmatig in staat van dronkenschap. En even terzijde: het was ook eigenlijk geen doen om pastoor te zijn. Er komt een koppel broer en zus voor in het verhaal, dat samen in totaal vier kinderen heeft voortgebracht. Die hebben ze ook nog alle vier vermoord, maar dat wel na ze eerst te hebben laten dopen, wat de pastoor bereidwillig voor hen heeft gedaan. Daarbij tekent Brand droogjes aan: ‘Deze feiten wijzen erop dat de doop werd aangevoeld als een noodzakelijk middel tot het eeuwig heil’.

Dat ik de scriptie wel las, voegt intussen niets aan mijn geloofwaardigheid toe. Nadat ik daarover had gerapporteerd schreven Van Peperstraten en diens volgeling historicus P.G. Kroeger (man 5) naar verluidt nog steeds dat ik geen bewijs heb.

Op dit moment is echter vooral de reden van belang waaróm De Maeyer net zo goed bij vroege zwangerschappen toegeslagen heeft. Die reden daarvoor is dat het motief niet het redden van ongeboren kinderen uit overleden vrouwen was. Dat motief was het dopen van ‘zondige ongeboren zielen’ zoals scriptie-auteur Brand evenals De Provinciale Zeeuwsche Courant het ruim veertig jaar geleden al correct hebben verteld (link).

En dat leidt tot het derde, nog afschrikwekkender, antwoord op de vraag waarom de snijdende pastoors buiten katholieke kring bepaald niet als weldoeners werden gezien.

c) Het derde deel van dat antwoord is dat wachten op het overlijden van de vrouw strijdig was met de religieuze vereisten voor een geldige doop.

Ook dat valt alleen al uit Brands scriptie te leren, want deze vertelt dat pastoor De Maeyer onder leiding stond van ‘Monseigneur’ Joannes van Hooydonk, bisschop van Breda. Wie grondig te werk gaat, trekt dus ook Van Hooydonk na. Dan vind je al snel diens ‘Onderrigt over de Bediening van het Sacrament des Doopsels ‘uit 1834 dat ook door Brand wordt genoemd (link).

3. “Dit werd alleen bij dode vrouwen gedaan”

Door Van Hooydonks boek ga je snappen dat De Maeyer wel wat meer steun van zijn leidinggevende had verwacht. Die had de eigenwijze dokter van Hontenisse beslist de heilige communie moeten ontzeggen. Op straffe van zware zonde, stelt Van Hooydonk, moet je het mes tijdig hanteren. En wat is tijdig? De vrucht moet beslist nog levend worden gedoopt. Schat een priester in dat een zwangere vrouw in levensgevaar is, dan is er dus grote haast geboden want de vrucht kan wel eens eerder dood zijn dan de vrouw, of gelijktijdig met haar overlijden – wat zo zijn consequenties heeft:

Het aanbevolen raadplegen van de pastoor hielp de vrouw echter niet, en de vroedmeester of dokter evenmin, want het adagium was ‘beter te haastig gesneden dan een zondige prille ziel gemist’:

Uit J. van Hooydonk, 1834, Onderrigt over de bediening van H. Sacrament des Doopsels (link)

De tranen schieten je al helemaal in de ogen bij de reactie van Gerard de Korte, de huidige bisschop van Den Bosch (man 6). Toen het Reformatorisch Dagblad in februari 2026 naar de kwestie informeerde, antwoordde deze achteloos: ‘Voor zover ik weet, is dat verhaal doodgebloed’ (link).

De metafoor had niet wranger gekund, want de zwangere vrouwen om wie het gaat, zijn dus letterlijk doodgebloed. En in vroeger tijden werd daar in besloten katholieke kring ook geen geheim van gemaakt.

Onderstaande plaat komt uit het Tractaet (…) over de beruchte keyserssnede in 1773 gepubliceerd door Petrus van Bavegem, ‘voormalig legerarts voor Zijne Roomsch Keizerlijke Majesteit’ zoals op het boekomslag staat. Met de opgestoken arm van de vrouw toont de tekenaar dat ze in leven is, evenals onverdoofd waarvoor in die tijd de middelen ook ontbraken:

Uit Petrus van Bavegem, 1773, Tractaet (…) over de beruchte keyserssnede (link)

Van Bavegem lichtte toe dat er een man aan het hoofdeinde moet staan voor het geval de vrouw (!) wel ‘ geweld doet’. Volgens zijn boektitel heette de keizersnede wel ‘berucht’ en dat zou hij tot in de jaren 1950 blijven, want dit is nog altijd een erg ingewikkelde operatie, met grote gevaren voor vrouw en kind als hij niet heel deskundig wordt uitgevoerd, plus onder uiterst hygiënische omstandigheden, met gebalanceerde antibiotica en precieze anesthesie.

Als niet aan al die voorwaarden was voldaan, bloedden de vrouwen uiterst ellendig dood. En dat moet niet opnieuw gebeuren met het verhaal erover, zoals bisschop De Korte hoopt dat al is gebeurd. En het vrouwvijandige denken erachter moet eveneens veel meer aan het daglicht komen dan nu het geval is.

Waarom moest het redden van de nieuwe ziel per se zó? Dat merkwaardige verhaal begint met de katholieke leerstelling dat er tegelijk met de zaadcel een ziel in de eicel belandt. En die prille ziel is met de erfzonde belast, die voor de dood moest worden weggewassen door een priester. Anders zou hij nooit worden toegelaten tot de hemel.

Je zou denken dat ongeboren lichaampjes zich al in vruchtwater bevinden, dat net zo goed door God geschapen is. Maar het ritueel moest met ánder water gebeuren. De handleidingen bepalen dat smelt-, put-, sloot-, en rivierwater geschikt is, of wat voor water dan ook. Op een gegeven moment kwam daar kraanwater bij, maar vruchtwater noemen ze nooit.

Is dit alles al fantasierijk / machtswellustig genoeg, daar blijft het niet bij: dacht een priester dat een vrucht, al dan niet samen met de vrouw, zou gaan sterven dan viel de nieuwe ziel, hoewel onsterfelijk geacht, alleen via het sterfelijke lichaampje te redden. En dat kon ook nog alleen op voorwaarde dat dit lichaampje tijdens de doop nog in leven was, plus dat het nieuwe water rechtstreeks op het volledig ontblote hoofdje was beland.

Het idee is al erg genoeg dat gestorven pasgeborenen al met de erfzonde zijn belast en zonder doop dus niet op het kerkhof mochten worden begraven. Dit terwijl de gemeenschap had geleerd de fout te zoeken bij de getroffen ouders. Deze wreedheid is beschreven in het boek Achter de heg door historicus André van Voorst (link) en in de documentaire Stil’ van RTV Oost (link).

Maar het kon dus nog erger: ook ongeborenen moesten in handen van een priester komen, en dat bij zelfs de prilste zwangerschap. Embryo’s en foetussen zijn echter innig verbonden met het lichaam van de vrouw waarin ze tot ontwikkeling komen. Vrouw en vrucht vormen anders gezegd een eenheid. Dus overlijden ze tegelijkertijd, of hooguit enkele minuten na elkaar. Vergelijk dit met organen die het eerst uitvallen of dat vrijwel direct na iemands overlijden doen.

Tegenwoordig creëert dat laatste een spanning bij orgaandonatie. De organen moeten nog intact zijn maar het lichaam waaruit ze worden geoogst moet zijn overleden zodat er op de valreep moet worden geopereerd. Wanneer weet men dan zeker dat iemand dood is? Hier is in de jaren 1960 de classificatie ‘hersendood’ bedacht die iets anders is dan een ‘hartdood’ waarna de organen niet meer bruikbaar zijn. Een hersendood moet worden vastgesteld op basis van reeksen complexe criteria en met gebruik van veel medische technologie. Het is navrant dat opeenvolgende pausen hierbij wel herhaaldelijk tot meer voorzichtigheid maanden, argumenterend dat de dood niet gemakkelijk vast te stellen is (link).

Constateerde een pastoor levensgevaar voor de vrouw of soms voor alleen haar vrucht dan was er dus altijd enorme haast geboden. Dit terwijl ook een hartdood uitermate moeilijk vast te stellen is, en dus zowel deskundigheid vraagt als tijd.

Voor alle zekerheid bepalen begrafeniswetten dat er na een overlijden nog een aantal dagen met begraven moet worden gewacht. Toch neemt veel literatuur over de sacramentele keizersnede de katholieke terminologie ‘post mortem sectio’ gewoon over. Daardoor verspreidt deze het idee dat het altijd ‘slechts’ om dode vrouwen ging.

Dat klopt dus om twee redenen niet. Ten eerste stelden veel theologische en medische werken openlijk dat de vrouwen ook bij leven moesten worden opengesneden voor de doop van hun vrucht. En ten tweede bestaat er zoiets als schijndood. Dat werd in katholieke kring ook wel gesignaleerd, maar dan alleen als het om de foetus ging:

Fragment uit een handboekje in 1849 gepubliceerd door een groep pastoors uit Gent (link).

Artsen daarentegen waarschuwden al eeuwen voor de schijndood van de vrouw. In 1649 rapporteerde een Parijse chirurgijn bijvoorbeeld dat hij een flauwgevallen zwangere vrouw op straat had geopend om haar vrucht te dopen. Hij had geen adem gezien op een spiegeltje voor haar mond en haar hart niet voelen kloppen. Maar vlak nadat hij zijn mes in haar lichaam had gezet was er een tandknarsen te horen geweest en had hij haar lippen zien bewegen. Nooit meer zou hij zich ‘zo gedwee in de luren laten leggen door mensen met verkeerd begrepen liefdadigheid’. En in diens Lessen over de verloskunde, een veel herdrukt boek voor vroedvrouwen uit 1854, waarschuwde ook de Vlaamse dokter Alexis Lados voor ‘de overdreven ijver bij het doen der keizersnede’ die ‘de moeder van de schijndood tot de ware dood deed overgaan’ (link).

Volgens de katholieke leer moesten ook hooggeplaatste vrouwen echter een dodelijke keizersnede ondergaan omwille van de doop van hun ongeborene, zelfs als haar eerdere kinderen daardoor moederloos werden:

Fragmenten uit De Opregte Haarlemsche Courant, 5-10-1882 (link)

Alleen wie de achtergrond kent, beseft dat het in dit krantenbericht niet om ‘slechts’ een post mortem keizersnede zal zijn gegaan, want als de doop van de nog levende ongeborene niet noodzakelijk was geacht, was de hertogin waarschijnlijk nog gered.

Vrouwen lagen soms dagen en nachten vergeefse pogingen te doen om hun kind te baren, en dreigden dan samen met hun ongeboren kind een vreselijke dood te sterven. Zolang ook de keizersnede nog dodelijk was, restte dan slechts de afschuwelijke ‘embryotomie’ oftewel in gedeelten naar buiten halen van de gedode foetus. In Ei, foetus, baby vertel ik hoe moeilijk hen dat viel. De doopsgezinde gynaecoloog Benjamin Kouwer heeft hierdoor bijvoorbeeld, tot diens grote wroeging, het leven van de koningen Wilhelmina nog gered. In 1902 heeft hij bij haar een foetus van vier maanden langs vaginale weg verwijderd, vanwege een heftige infectie die de koningin anders fataal geworden zou zijn. Maar tot aan het eind van zijn leven heeft Kouwer het hier moeilijk mee gehad.

Hier komt de openlijke katholieke stelling nog bij dat het beter is om liever niet te wachten tot de vrouw is overleden, want dan loop je teveel risico op een ongeldige doop. Dat bleek al uit het juist geciteerde boek van Van Hooydonk en neem ook het hoofdstuk onder de titel ‘Over de keizersnede op een levende vrouw’ (De L’opération césarienne sur la femme vivante). Dat staat in het gezaghebbende priesterhandboek Embryologie Sacrée, in 1865 gepubliceerd door de Franse priester-arts Pierre J.C. Debreyne en uitgegeven in Brussel (link).

Een goede vrouw zal haar eigen aardse leven vast wel willen opofferen voor het hemelse voortbestaan van haar kind, onderwees ook Debreyne. Vertel haar maar dat de pijn best meevalt, maar besef tegelijk dat de verplichte operatie ook weer niet met élke vrouw te bespreken valt. Want ‘mogelijk schiet haar vroomheid en intelligentie daarvoor tekort’. Het boek voert voorbeelden op zoals dat van een 13-jarig en 17-jarig zwanger meisje, en zeker bij een buitenbaarmoederlijke zwangerschap moet een priester op tijd het mes hanteren.

Van kort daarna dateert een volgend bekend geworden geval in Vlaanderen. Ditmaal van een 17-jarige zwangere wier vader zowel de dokter als de pastoor had laten roepen, waarna de pastoor als eerste was gearriveerd (link). Uit dezelfde tijd stamt het voorbeeld van de vrouw met een zwangerschap van vier maanden, die door een onderpastoor met diens keukenmes was ‘behandeld’. Ook in haar geval was er woede in de pers, en volgde er een opgraving onder het oog van de voltallige rechtbank:

De Toekomst, 13 oktober 1867 (link)

Vanaf 1869 bepaalde de Nederlandse Begrafeniswet, zoals verteld, dat het vaststellen van een overlijden alleen nog aan artsen is toegestaan, en dat er ook daarna nog tenminste 36 uur met begraven of cremeren moet worden gewacht.

Naar aanleiding van een pastorale keizersnede in het dorpje Clinge, eveneens bij Hulst, is toen tevens vastgelegd dat ook een lijkopening aan artsen voorbehouden moest zijn (link, zoekterm Clinge). Dit om zeker te stellen dat deze alleen plaatsvindt op een lijk, zoals het Zeeuwse Kamerlid Willem de Brauw het voorstel hiertoe cynisch heeft verdedigd (link, zoekterm Brauw).

De bisschop van Mechelen, gezaghebbend in ook Nederland, stuurde dan ook meteen een brandbrief over dit wetsvoorstel naar het Nederlandse parlement, want zo konden de pastoors hun heilzame werk niet meer doen:

De Nieuwe Rotterdamsche courant 18-03-1869 (link)

Voor de pastoors golden echter ‘hogere wetten’. Ook na 1869 bleven ze embryo’s en foetussen uit vrouwen roven. Verder zochten ze vanaf de vroege 20ste-eeuw wat vaker de medewerking van een volgzame arts, zodat ze de wet konden omzeilen. Dat die artsen zich bleven verzetten blijkt uit een ingezonden brief in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde van 1921. Daarin schreef cardioloog Adriaan Kortweg dat hij in het ziekenhuis niet langer aan het operatieve dopen wilde meewerken. Het resultaat was een forse polemiek in dit tijdschrift met verbolgen katholieke artsen en autoriteiten, waarbij de Korteweg door niemand werd gesteund (link).

Ruim dertig jaar later ontstond er nog een theologische discussie over het vraagstuk of de ongeboren ziel daadwerkelijk van de erfzonde moest worden verlost. Die werd met hetzelfde muggenziften gevoerd als vraagstukken over relaties met niet-katholieken, verboden gynaecologische operaties, of ongeoorloofde posities tijdens ‘de huwelijksdaad’.

In 1958 publiceerde Nederlandse Katholieke Stemmen bijvoorbeeld tien volle pagina’s met theologische argumenten voor of tegen de reddeloosheid van de ongedoopte ongeboren ziel. Al met al, concludeerde auteur drs Fr. Haarsma is de visie van pessimistische theologen wat dit aangaat het meest overtuigend. Instemmend citeerde hij ook paus Pius XII, die een paar jaar eerder in een toespraak voor de Italiaanse vroedvrouwen had gezegd dat ongedoopte ongeborenen alleen het voorgeborchte kan worden bespaard als ze blijven leven (link). Lokale en nationale Nederlandse kranten besteedden aandacht aan dit belangrijke artikel van Haarsma:

Fragment uit De Maasbode, 20-02-1958 (link).

Pas in de jaren 1970 zou de katholieke kerk een beetje afstand gaan nemen van ‘de foetus-doop’. Het Nederlandse Episcopaat liet toen weten: ‘Beëindiging van deze praktijk zal voorzichtig bestudeerd en bevorderd moeten worden’. Dat die praktijk bestond was wat breder bekend geworden in het kader van het toenmalige streven naar ‘wederzijdse dooperkenning’ met andere kerken. Daarbij had de Hervormde Kerk als voorwaarde gesteld dat de hele nooddoop dan uit de katholieke voorschriften moest worden geschrapt (link).

Tegen het einde van de twintigste eeuw begonnen profane kranten er de spot mee te drijven. Dat is íets aan aandacht maar hierbij bleek geen enkel besef van de wreedheden die er eeuwenlang mee gepaard zijn gegaan. Ook zouden er ‘volgens een Duitse studie’ alleen vrouwen ‘in Frankrijk en Zweden’ opengesneden zijn:

De Volkskrant, 27-07-1993 (link).

Het zij hem vergeven bij al die katholieke haarkloverij, maar deze journalist verwarde ook het vagevuur (als tijdelijke louteringsplaats) met het voorgeborchte (als blijvende plek voor ongedoopten). Het zou nog tot 2007 duren voordat een theologische commissie ingesteld door de toenmalige paus met de conclusie kwam dat de categorie ‘voorgeborchte’ kan worden opgegeven. Dit echter opnieuw zonder erbij te vertellen dat het idee ontelbare aantallen vrouwen en ongeborenen door de eeuwen heen een ellendige dood heeft bezorgd (link).

4. Intermezzo: een kwestie van eigendomsbeheer

Witte vrouwen ontkwamen al niet aan de snijdende priesters en je moet er ook niet aan denken hoe dit in koloniale missiegebieden is gegaan. Een catechismus ‘in de Neger-Engelsche taal voor de kolonie Suriname’ uit 1847 behandelt de nooddoop bijvoorbeeld (link). Een boek voor katholieke missionarissen uit 1909 adviseert om ter voorkoming van infecties der baarmoeder het doopwater met kwikchloride alias sublimaat aan te lengen (link). Dit terwijl de extreme schadelijkheid van die stof voor menselijk weefsel in die tijd al bekend was (link).

En in 1923 nog gaf Nederlandse Katholieke Stemmen een lovende bespreking van een Belgisch boekje bedoeld voor Congo en verschenen in het Frans zowel als het Nederlands (link). Dit gratis verspreide pamflet door de gebroeders André en Georges Hoornaert uit Luik propageerde ‘het verrichten van de sectio caesarea op de levende en overleden moeder’. De bespreking in Nederlandse Katholieke Stemmen meldt dat het werkje al 15.000 keer was herdrukt en juichte ‘Welk een heerlijke geloofsdaad en prachtig werk van naastenliefde is hiermede verricht!’. Het zou tenminste nog een 43ste editie krijgen (link).

Paragraaf 5 bespreekt pausen en nog meer hooggeplaatste vertegenwoordigers van de RK kerk, die de operatieve doop van ongeborenen door de eeuwen heen hebben voorgeschreven.

Nu echter eerst een intermezzo, want deze vorm van femicide was onderdeel van een breder denkpatroon over de dienstbaarheid van de vrouw in een door witte mannen geregeerde wereld. In de getoonde krantenknipsels hadden de vrouwen geen eigen naam, maar heetten zij ‘de huisvrouw van X’. Dat alleen al drukt uit dat kinderverzorging lange tijd als het primaire nut van vrouwen gold. Ze kregen geen scholing, mochten geen eigen inkomen verdienen, niet stemmen, enzovoort, zodat ze in feite vooral baarmoeders waren.

Zojuist noemde ik ‘kinderverzorging’ als de rol van vrouwen, en niet het produceren van kinderen, want eeuwenlang dacht men zelfs dat de kinderen louter door mannen worden geproduceerd. Met de eerste microscopen zágen de geleerde mannen zelfs dat de complete baby’s zich al in de zaadcellen bevinden. Antoni van Leeuwenhoek had dat bijvoorbeeld zelf door zijn lenzen waargenomen en diens tijdgenoot Nicolaas Hartsoeker eveneens.

De laatste publiceerde in 1694 deze afbeelding van een zaadcel met daarin een kindje. Dat was in een Franstalig boek, maar vijf jaar later kwam deze vertaling in het Nederlands uit. De staart van de zaadcel was ook van groot belang want die wordt straks de navelstreng, wist Hartsoeker te vertellen. Het ‘ei der vrouwe’ daarentegen wordt slechts de moederkoek (link).

De vindingrijkheid van deze wetenschappers verdient nog steeds bewondering, maar tegelijk is het belangrijk stil te staan bij het toenmalige beeld van mannen versus vrouwen dat ze hielpen bevestigen. De eerste en belangrijkste geboorte vond plaats op het moment dat de man zijn reeds gevormde mini-kindje tijdelijk onderbracht bij een vrouw. Haar lichaam droeg niet bij een de gestage ontwikkeling van een bevruchte eicel tot een voldragen foetus, maar liet het reeds tevoren al gevormde kindje slechts groter worden.

De ongeboren als volledig mensje in de baarmoeder. Fragment van een afbeelding in James Cook, 1694, Mellificium Chirugiae (link).

Bij de ‘ontvangenis’ door de vrouw kreeg het kleine kindje dus tijdelijk onderdak totdat het voldoende was doorvoed om de hospita met haar benauwde kamertje weer te kunnen verlaten. Dan volgde de bevalling die het al bestaande kind alleen maar aan het licht bracht. Hartsoeker zei ook dit heel beeldend: totdat het kind ‘beide zyne voeten teegen de Moederkoek afzet’ en zich ‘uit zyne gevangenis tracht te dryven in de ruime lucht’.

Het ontnemen van een ongeborene aan een vrouw was dus zelfs geen kwestie van toe-eigening door een man, maar gewoon van eigendomsbeheer.

Het denken in termen van eigendom zie je in verhandelingen over de operatieve doop soms letterlijk terug. Men sprak van ‘kinderen die nog in de baarmoeder opgesloten zitten’ (‘in utero matris clausus’), en het heette zelfs dat een snijdende zielzorger het kind uit die ‘benauwde gevangenis’ bevrijdt, wat deze tot ‘de geestelijke vader’ maakt. Dat staat in bovengenoemde priesterhandleiding door Debreyne uit 1865 die er nog aan toevoegt dat het mesgebruik de priester tevens tot de ‘vervangende moeder’ maakt, omdat hij ‘het kind op de wereld heeft gezet’ (link).

Die passage besluit bovendien met: ‘Als het kind enige tijd na de doop sterft, wat vrij gebruikelijk is’ zal het in de hemel ‘onophoudelijk voor zijn weldoener bij God bemiddelen’. ‘Welk een reden tot vreugde, troost en hoop dus voor u, oh hulpverlener en trouwe dienaar van God’ (link, p.338).

Dit soort ideeën laten nog hun sporen na, want nog altijd vergeten velen dat zwangerschap een ontwikkelingsproces is, doorgemaakt door een vrouw, waarbij zij de bevruchte eicel gaandeweg tot een mensje maakt. Vanaf de bevruchting projecteert men daarentegen een volledig kind dat er tevoren al was, gemaakt door de man samen met de grote opperman die er ook een ziel in plaatst. En over een kind of ziel hebben anderen altijd medezeggenschap.

Fragment uit Petrus Dens (heruitgave 1878). Tractatus de sacramentis in genere. Dit fragment leidt tot lange passages over de uitvoering van de keizersnede (link).

Die extra ziel is zelfs met succes tot het exclusieve domein van zielzorgers verklaard. Via deze overtuigingen kregen priesters al helemaal grote zeggenschap over de vrucht en daarmee de vrouw, zodat vrouwen zelf hun gezag over hun eigen lijf en daarmee hun leven verloren.

En moest de nieuwe ziel worden gedoopt dan verloren de vrouwen hun leven dus voorgoed. Dat echter in díe volgorde en niet andersom, zoals nu tegengeworpen wordt.

De hedendaagse ontkenningen naar buiten toe staan in schril contrast met de vroegere volslagen openheid hierover die soms in eigen kring bestond. Hoewel sommige werken voorschreven dat er tien minuten geen hartgeruis te horen moet zijn geweest (wat al een twijfelachtig criterium was) achtten veel andere theologen zelfs dat niet nodig.

In de komende paragraaf 5 volgt nog wat meer over de keizersnede op een levende vrouw, en dus meer over het voorschrift dat de vrouw liever niet tevoren al dood moest zijn. Maar vooral weerlegt deze paragraaf de hedendaagse repliek dat dit nooit door de officiële katholieke kerk voorgeschreven zou zijn. Vanaf het begin is het daarbij ook om de meest prille zwangerschappen gegaan.

Daarna gaat paragraaf 6 in op een reeks medische leerboeken die de voorschriften voor de prenatale doop hebben doorgegeven. Ook daarvan wordt het bestaan door hedendaagse RK vertegenwoordigers ontkend. De zesde paragraaf laat verder zien dat de regels in die boeken ook steeds verder werden uitgebreid. Wat moest er bijvoorbeeld gebeuren met een zieke vrouw die mógelijk zwanger was? En horen de vliezen rond de vrucht tot de vrucht of tot de vrouw, in welk laatste geval de doop ongeldig is als de vliezen niet eerst worden verwijderd?

Paragraaf 7 gaat in op de stelling dat de opdracht tot het gewelddadige dopen misschien wel is gegeven, maar dan toch zelden is uitgevoerd. Is iets volgens het katholieke geloof dus alleen maar kwalijk voor zover je erop bent betrapt? Dat de opdracht zelden is uitgevoerd, is hierboven ook al onjuist gebleken en hier komen nog meer opgedoken gevallen aan het licht. Paragraaf 7 bespreekt ook meer voorbeelden van recidivisten onder de pastoors.

In paragraaf 8 komt de tegenwerping aan bod dat dit alleen vanuit hedendaagse normen te veroordelen valt, wat inhoudt dat het dus niet eerder in de geschiedenis op protesten heeft gestuit. Uit het bovenstaande bleek al dat dit onjuist is, maar paragraaf 8 beschrijft heel veel uitingen van ontzetting en woede erover vanaf de 17de eeuw.

Ook voeg ik een paragraaf 9 toe die laat zien dat – opnieuw anders dan tegengeworpen – de vrucht op veel meer manieren boven de vrouw wordt gesteld, en dat tot op de dag van vandaag.

Het geheel eindigt met een korte paragraaf 10 over de vraag hoe dit anders moet en kan. Maar nu volgt dus eerst het bewijs dat de opdracht tot de prenatale doop wel degelijk van de officiële katholieke kerk is uitgegaan.

5. “Dit was niet de leer der katholieke kerk”

Misschien moeten we al die ontkenningen als een vorm van vooruitgang zien, want ze geven aan dat men zich er nu tenminste voor schaamt. Die schaamte is meer dan terecht en zouden de ogen voor het verleden niet gesloten blijven dan valt er nog iets zinvols mee te doen.

In Ierland heeft historicus Liam Kennedy zesentwintig vrouwen, geboren tussen 1930 en  1970 over dit soort kwesties geïnterviewd. Kennedy’s steekproef was beperkt, maar in een artikel uit 2021 concludeert hij: ‘door de lange perioden van blootstelling aan zwangerschap (…) inclusief aan risicovolle zwangerschappen aan het einde van de vruchtbare leeftijd, moeten veel meer katholieke moeders in het verleden (…) levensdrama’s hebben meegemaakt. Naast de normale menselijke ervaringen van verdriet en verlies, blijkt een aantal van hen gebukt te zijn gegaan onder schuldgevoelens over het lot van de ongedoopten’ (link).

Een vertegenwoordiger der Ierse katholieke kerk gaf daarop toe dat vrouwen met de ‘wrede doctrine’ van de zondige nieuwe ziel groot leed is aangedaan’ (link).

Dat lijkt echter een wereldwijde uitzondering. In Nederland stuit het aankaarten van de wrede vruchtdoop in elk geval nog altijd op verontwaardigde  ontkenning van katholieke zijde. Vertegenwoordigers van de katholieke kerk stelden tijdens het EO-radioprogramma Dit is de dag (link) ook nog dat de prenatale doop met al zijn regels nooit tot de officiële voorschriften van de katholieke kerk heeft behoord. Opnieuw vraag je je af of ze bewust onwaarheid spreken of echt zo slecht over hun eigen geschiedenis zijn geïnformeerd.

De eerder genoemde bisschop die sprak van een ‘eeuwige foltering van onuitblusbaar vuur’ voor de overleden ongeborenen, had daarvoor de ‘kerkvader’ Augustinus als inspiratiebron die in de derde eeuw al dreigde met de hel. Na veel theologisch delibereren is later de lichte verzachting aangebracht dat de ongedoopt gestorvenen in het voorgeborchte of limbo belanden in plaats van de hel. Het voorgeborchte heette een ruimte onder de hemel te zijn, waarin de ongedoopte kinderen vergeefs staan te dringen voor een blijvend gesloten hemelpoort. Ze brandden daar weliswaar niet maar leven een oneindig bestaan ‘met begeertes maar zonder hoop’ (zoals Dante Alighieri het even poëtisch als ongenaakbaar heeft gezegd).

Ook de 13de-eeuwse Summa Theologica door Thomas van Aquino besprak de noodzaak van het dopen van ongeborenen (link). Hij verwierp de eigentijdse gewoonte om zwangere vrouwen met een vrucht in levensgevaar te openen, maar stelde wel dat dit moest worden gedaan zodra de vrouw was overleden. Zoals boven beschreven botste dat echter met de eis dat de vrucht levend moest worden gedoopt. Door de grote haast kwam het erop neer dat er niet echt op de dood van de vrouw kan worden gewacht.

In 1615 kwam de toenmalige paus Paulus ook met het priesterhandboek Rituale Romanum (link). Vertaald uit het Latijn herhaalde dit werk: ‘als de zwangere moeder sterft, moet de ongeborene zo snel mogelijk en voorzichtig worden geëxtraheerd en indien nog in leven ter plekke worden gedoopt’. Het deed er ook niet echt toe of de vrouwen katholiek waren of niet, want andersgelovigen kregen zo mogelijk een snelle ‘nooddoop’ bij levensgevaar.

Met voorwoord van de paus kwam er een zakboekversie voor afgezanten die het sacrament der doop in ‘remota & pericolosa loca’ (gevaarlijke afgelegen gebieden) moesten gaan verspreiden. Ook de prenatale doop kwam hierin voor, en verschillende historici hebben gedocumenteerd dat de instructie ertoe wereldwijd is opgevolgd.

Ik beperk me echter tot de Nederlanden waar zo’n zakboek in 1627 te Antwerpen werd uitgegeven (link). En in 1697 publiceerde Guilielmus Bassery, bisschop te Brugge, de eerste mij bekende Nederlandstalige verhandeling over ‘het Sacrament des Doopsels (…) aende kleyne kinders in den noodt’ (link), met daarin opnieuw de opdracht tot uitsnijden van ongeborenen als ‘een moeder bevrucht zijnde alsoo kwame te sterven’.

Dat was dus in 1697 en op archieven.nl staan uit 1698 al twee gevallen van een kind liggend in de baarmoeder gedoopt, met het overlijden van de moeder op dezelfde datum (link).

We zijn nu de tijd van Hartsoeker en Van Leeuwenhoek die meenden dat het volledige kind al in de zaadcel zat en slechts tijdelijk werd ondergebracht  bij een vrouw. Zo schreven ook de mannen erover die de keizersnede voor de doop behandelden. Terwijl Bassery sprak van de ‘kleine kinderen in nood’, werd dat een halve eeuw later zelfs ‘kinderen opgesloten in de uterus’ (‘bambini racchiusi nell’utero’). Zo staat het in de ondertitel van het boek Embryologia Sacra uit 1745 door de Siciliaanse Jezuïet Francesco Emanuele Cangiamila (link).

De volledige ondertitel van de Embryologia Sacra was ‘Over de taak van priesters, artsen en anderen met betrekking tot de eeuwige gezondheid van kinderen opgesloten in de baarmoeder. Die taak was er bij zelfs het prilste embryo en Cangiamila was er open over dat zekerheid over een geldige doop niet kon wachten op zekerheid over de dood van de vrouw.

Cangiamila hoorde ook tot de bestuurders van Sicilië en regelde de wettelijke verplichting tot de operatieve doop. In landen waar de macht van Rome groot was werden vergelijkbare wetten opgesteld en keizer Karel breidde ze uit tot in Spanje evenals de Spaanse gebieden in Amerika. Op Sicilië hield de overheid de cijfers bij: voor alleen al de periode 1760 tot 1762 is op alleen al dat eiland de ‘redding’ van 1729 ongeboren zielen geregistreerd, waarvan 225 door middel van een keizersnede. Dat meldt historica Nadia Philippini op basis van haar onderzoek naar de operatieve doop, link en, link).

In 1764 volgde een vertaling in het Latijn van Cangiamila’s boek, die het werk voor priesters in alle landen toegankelijk maakte (link). Deze uitgave ging gepaard met een aanbeveling door de toenmalige paus Benedictus XIV die Cangiamila’s ‘eruditie’ prees en stelde dat het werk door niemand onderschat mag worden. Met die vertaling ging het toen al helemaal tot de standaardwerken voor katholieke zielzorgers horen.

Na dat invloedrijke boek was er geen houden meer aan. Met ijzeren logica zou de ene regel steeds de volgende gaan uitlokken, en dat gedurende ongeveer twee eeuwen, verbijsterend genoeg zonder enig oog voor het enorme leed dat erdoor werd aangericht.

Het lijvige werk, met erin opgenomen goedkeuring van de Paus, werd ook vertaald in het Frans, Duits, Spaans en Portugees. En dit bracht Cangiamila’s voorschriften niet alleen naar Europa maar ook naar Congo en Brazilië, de Filipijnen, Guatemala, Peru, Puerto Rico, Mexico, evenals Alta California (het huidige Californië plus delen van andere tegenwoordige Amerikaanse staten)

Tegen het einde van de 18de eeuw kwamen er bovendien verkorte versies voor gewonere mensen uit. Vooral voor vroedvrouwen en vroedmeesters beschreven Cangiamila’s Nederlandstalige boekjes ‘de pligten wegens de kinderen die nog niet geboren zijn’.

Twee Nederlandstalige verkorte versies van de Embryologia Sacra (link en link)

Er waren geen plichten jegens de vrouwen die jaren geleden waren geboren en vaak al moeders van eerdere kinderen waren. De boekjes moesten in de tas met instrumenten mee op huisbezoek, want het uitvoeren van de doop was aan nog veel meer regels gebonden. Er waren voorschriften voor al dan niet toegestaan doopwater en de juiste doopformules bij ieder specifiek geval, bijvoorbeeld afhankelijk van de vraag of een ongeborene één hoofd had of twee.

Dat de Nederlandse vroedvrouwen gehoorzaamden, blijkt uit het voorbeeld van Eerke Gerrits. Zij is in 1796 door haar vroedvrouw Theodora Jacobs uit Vierlingsbeek opengesneden. In dit geval bleek het kind al dood, en overbuurman Willem van Haaren was getuige (link).

De meeste zaken zullen nergens zijn genoteerd, maar er moeten veel meer Eerkes en Theodora’s zijn geweest, want de Embryologia Sacra schreef voor dat men liever honderd vrouwen ten onrechte moest openen dan ook maar één ongeborene per ongeluk naar het voorgeborchte te sturen (link naar pagina 123). Zo mogelijk moesten de zwangere vrouwen bovendien bij bewustzijn op hun ‘schikkelijke doorgang’ naar het hiernamaals worden voorbereid. Buiten hun blikveld hoorde er dan al iemand klaar te staan met het mes. Koud doopwater moest intussen wel lauw worden gemaakt, want een blootgelegde nieuwe ziel mocht niet teveel schrik worden aangejaagd (link naar p.71).

Het had geen zin om met snijden te wachten totdat de vrouw echt dood was, lichten ook die korte Nederlandstalige boekjes toe. Want zekerheid daarover heb je pas bij ‘verrotting’. Het stoppen van haar pols en ademhaling was bijvoorbeeld onvoldoende bewijs, en hetzelfde gold voor het uitblijven van reactie op insnijden van haar voetzolen (link naar p.80).

Dat liet dan tenminste de voetzolen van de vrouwen heel. Verder moest de snede door de buik en baarmoederwand op kruislings worden gemaakt, en daarna moest er tot in de blaas naar meerlingen met zondige zielen worden gezocht.

Je ziet het bloederige gerommel voor je. Cangiamila raadde daar dan ook het inschakelen van een chirurgijn voor aan, zodat de priester zelf alleen het schone werk hoefde te doen. Helaas is zo’n hulpverlener echter niet altijd beschikbaar of bereid, merkte Cangiamila verbolgen op, want ze zijn er vaak te laf en laaghartig voor.

Met de Italiaanse plaatsnamen erbij turfde Cangiamila de aantallen nieuwe zielen die hij hoogstpersoonlijk met zijn mes voor de hemel had gered. Velen na hem hebben dat als zelfbedrog beschreven omdat de vrouwen dan ofwel niet dood konden zijn geweest, of de uitgesneden foetussen niet levend zijn gedoopt.

Plaat uit de Embryologia Sacra (1745) door Francesco Cangiamila, ontleend aan Gian Battista Bianchi, 1741, De naturali in humano corpore, vitiosa morbosaque.

Cangiamila’s boek zou niet door Rome zijn goedgekeurd, zeggen de woordvoerders der RK kerk nu, maar er staat toch echt een lange aanbeveling in door de toenmalige paus. Bovendien had Rome ook maatregelen tegen deze Jezuiet kunnen treffen, terwijl de paus hem juist tot lid van de pauselijke inquisitie heeft benoemd.

Dit zou verder het enige werk zijn dat ik heb genoemd, luidt de volgende tegenwerping, die opnieuw overduidelijk onwaar is. In mijn boek staan al veel voorbeelden van de hoogste vertegenwoordigers der katholieke kerk die de instructies voor de doop der ongeborenen nog lang en instemmend hebben verspreid. Dit terwijl daar ook nog nieuwe aan toe te voegen zijn.

Zo’n nieuwe toevoeging is Debreynes eerder genoemde hoofdstuk ‘Over de keizersnede op een levende vrouw’. Dat staat zoals verteld in diens Embryologie Sacrée van 1865, die weer een aanhangsel was bij Debreynes vaak herdrukte priesterhandleiding Moechialogie (Zedenleer). ‘Exclusief voor priesters’ staat op het omslag.

Behalve in Frankrijk was Debreyne in België een buitengewoon belangrijk man, maar ik houd het verder bij Nederlandtalige informatie, die al omvangrijk genoeg is. Een volgend voorbeeld daarvan is de machtige kardinaal-aartsbisschop Engelbertus Sterckx van Mechelen. Voorzien van zijn aanbeveling verscheen er in 1851 een decreet dat met chirurgische precisie toelichtte hoe men bij een keizersnede voor de doop te werk moet gaan:

Fragment uit Emmanuel Sterckx, 1851, Onderwyzingen aengaende de manier van de nieuwgebooren kinderen te doopen

Het hele betoog lijkt te zijn ontleend aan een geschrift van de theoloog Petrus Dens (heruitgave 1878, link). Beide werken spreken ook de stelling tegen van medici dat vrouw en vrucht vrijwel gelijktijdig sterven. Die conclusie zou zijn gebaseerd op alleen onderzoek naar vrouwen van lichte zeden zijn, terwijl de ongeborenen van nette vrouwen hen nog wél een tijd zouden overleven. Zeker dat laatste soort vrouw zou dus moeten worden opengesneden.

Vroedmeesters en vroedvrouwen die de opdracht niet uitvoerden – stelt het pamflet aanbevolen door Sterckx ook – zouden met ‘eenen meulensteen om den hals in de zee geworpen’ moeten worden. Dat zou ‘onzen Goddelyken Zaligmaker’ zelf hebben verordonneerd. En wie wel zwangere vrouwen opensneed zou volgens diezelfde Zaligmaker op levenslange ‘zoete voldoening’ kunnen rekenen. Want een nieuwe ziel die dankzij jou tot de hemel toegelaten was, zal daar een goed woordje voor je doen (link naar download, of link, scroll naar beneden).

Kardinaal Engelbertus Sterckx, plaat van de wikipedia-pagina over hem

Toen het Nederlandse parlement de Begrafeniswet dreigde aan te nemen, protesteerde Sterckx, zoals boven al verteld, per brief dat geestelijken dan de wet zouden moeten overtreden om nog zwangere vrouwen open te kunnen snijden (link). Verder maande hij ziekenhuizen de keizersnede vaker te gebruiken voor het redden van de ongeboren ziel (link).

Sterckx’ gezag reikte tot ver in Nederland. Diens wikipedia-pagina beschrijft zijn ‘machtige stem’ dan ook nadrukkelijk. Zijn openlijke opdracht tot vermoorden van zwangere vrouwen en verdrinken van hulpverleners blijft daarin onvermeld. Wat er wel in staat is dat Rome Sterckx tot diens dood in 1867 zijn hoge functie heeft laten houden (link) en in de kathedraal van Mechelen valt zijn praalgraf naast het altaar nog te bezoeken.

Het effect van die dreiging met een molensteen om je nek bleef niet uit, want niet lang hierna stapelden de openbaar geworden gevallen zich op. En vaak waren de messentrekkende pastoors de dokters zelfs vóór:

Uit het Utrechtsch Provinciaal en Stedelijk Dagblad, 14-8-1868

Meteen na Sterckx overlijden heeft diens opvolger Victor Deschamps de snij-opdracht herhaald, wat tot een hele reeks extra gevallen heeft geleid:

De Middelburgsche courant, 1-9-1868 (link)

Dit zou nooit de officiële leer der katholieke kerk zijn geweest? Bassery, Debreyne, Sterckx en Deschamps, ze spraken allemaal namens Rome, en in 1900 plaatste het blad Nederlandse Katholieke Stemmen twee artikelen, met daarboven: ‘Ex S. Congrsg. Suprsm. Officii’, kortom namens de ‘Heilige Stoel’ (link en link).

De titel van die twee artikelen in het Latijn is: ‘De sectione caesarea demortuae’. De auteur was de Jezuïet A.C.M. Schaepman, rector van een Seminarie (priesteropleiding). Ik noem hem alleen om nog eens te laten zien dat het om regels van de officiële katholieke kerk ging, want zijn tekst is weinig origineel. Schaepman betoogde dat ongeborenen de dood van hun moeder wél een tijdje kunnen overleven, verdedigde het uitsnijden tegen de wereldlijke wet als een vorm van ‘liefdadigheid’ en prees Cangiamila uitbundig vanwege diens persoonlijke successen met het mes.

Medisch deskundigen waren er echter heel duidelijk over dat vrouw en vrucht ongeveer gelijktijdig sterven en bij sommige ziekten overleed de vrucht het eerst. In 1901 is zo’n casus uitgebreid in de pers gekomen. Het ging toen om een drie maanden zwangere vrouw met zo ernstig zwangerschapsbraken dat haar arts geen andere oplossing zag dan het beëindigen van haar zwangerschap. Zou dat niet gebeuren dan zou de jonge foetus als eerste aan ondervoeding sterven en de vrouw kort daarna.

Maar deze vrouw was katholiek, en haar pastoor verbood de ingreep. De verbaasde arts haalde hoogleraar gynaecologie Hector Treub erbij die het eveneens niet begreep want de vrucht zou toch overlijden zoals beiden de vrouw en de pastoor duidelijk maakten. Deze vrouw stond echter sterk onder invloed van haar pastoor en is dus hondsberoerd en uitgemergeld overleden. Pas daarna kwam de aap uit de mouw van ook de verbijsterde Treub: de pastoor claimde dat hij haar levende vrucht hoogstpersoonlijk op het nippertje had uitgesneden en gedoopt.

Als dat waar was, kon de vrouw nog niet dood zijn geweest en is zij dus gestorven door het priesterlijk mes, terwijl haar leven gespaard had kunnen worden door het beëindigen van de zwangerschap. Zonder het woord te gebruiken zag Treub dat dit in feite een femicide was geweest.

Hij heeft hierover een publieke discussie aangezwengeld, waarbij hij zich woedend heeft geuit over de religieuze zowel als de wereldlijke wet. De laatste schreef immers zes jaar gevangenisstraf voor plus een beroepsverbod voor ook een beëindiging wegens levensgevaar voor de vrouw.

Tijdens dat op schrift gestelde debat verdedigde monseigneur T. M. Vlaming – voorzitter van de kerkelijke rechtbank en hoogleraar Katholiek recht – de betrokken pastoor. Er was in Rome over de kwestie ‘vrouw of nieuwe ziel’ besloten, schreef Vlaming. En dat was daar gedaan ‘door mannen van veelzijdige en grondige wetenschap; mannen die (…) over de hun voorgelegde vragen beslissen met besef van verantwoordelijkheid (…); mannen die voor het heil der lijdende menschheid niets minder bezorgd zijn dan wie dan ook’.

Net zoals eerder kardinaal Sterckx presenteerden die mannen zichzelf ook als de uitverkoren woordvoerders van de allerhoogste man: ‘de heerschappij over leven en dood van den nog ongeboren mensch’ behoorde uiteindelijk ‘geheel en uitsluitend aan den waren levenden God’ toe, aldus dit keer Vlaming (link).

Dit komt allemaal niet van de officiële katholieke kerk? ‘Leg een of meer kussens onder haar lendenen zodat de uterus (baarmoeder) opwaarts komt’, bedacht Monseigneur M. J. A. L. Lans in 1907 nog als handige tip. Kennelijk had hij Van Bavegem niet gelezen, die had gewaarschuwd dat de huid dan te strak gespannen komt te staan, en deze deken van Amsterdam plus ‘geheime kamerheer van de paus’ kwam daarna met nog ergere instructies voor het mutileren van de vrouwen dan Sterckx had gedaan (link, p.274-275).

Het ene voorschrift lokte steeds weer het andere uit. Het priestertijdschrift Nederlandse Katholieke Stemmen (link, 1913 en link, 1933). publiceerde in de 20ste eeuw ook nog lange theologische verhandelingen over de vraag of de vliezen rond de vrucht onderdeel daarvan zijn, of toch van de vrouw. Met veel Latijnse terminologie delibereerden de auteurs daarbij over verschillende soorten vliezen, om steevast tot de slotsom te komen dat ze tot de vrouw behoren. Dus moesten zelfs die worden afgepeld voor een geldige doop, want anders  zou de zondige prenatale ziel alsnog voorgoed in het voorgeborchte belanden.

Aldus stapelde theologisch vraagstuk zich op theologisch vraagstuk. Is een doop op het laagje vernix wel geldig? En moeten de foetale haartjes niet opzij worden geschoven? (link). In 1940 zou de Jezuïet Joseph Salsmans in diens Geneeskundige Plichtenleer nog verslag doen van een volgend ernstig theologisch vraagstuk. Misschien moet er bij een spontane afstoting van een vrucht met nog intacte vliezen (een ‘ei’) toch buiten op die vliezen worden gedoopt? Dat gaf immers meer kans op een geldige doop, want de vrucht kon sterven bij het openscheuren. Maar zo’n doop was alleen ‘sub conditione’ geldig omdat ‘het buiten-omhulsel van het ei van de moeder afkomstig is’. Dus wijdden sommige theologisch deskundigen er lange verhandelingen aan dat die eerste doop dan net zo goed achterwege kon blijven (link).

Dat laatste ging nog om spontane miskramen, maar de strijd om de doop via een keizersnede werd intussen alsmaar grimmiger. Gezien het geringe aantal vrouwen dat die operatie in een ziekenhuis had overleefd, betoogde Treub in 1910 dat hij voorlopig weinig verloskundige toekomst in deze behandeling zag (link). Het zijn ook alleen niet-verloskundigen, voegde hij daar nog cynisch aan toe, die zich tegen het redden van de vrouw keren als er een gedwongen keuze moet worden gemaakt tussen vrouw en vrucht.

Daarmee duidde hij uiteraard op de katholieken, wat niet onterecht bleek. Eveneens in 1910 verscheen er een gezaghebbend katholiek leerboek voor priesterstudenten. Dit stelde dat een sectio caesarea inmiddels ‘niet meer zo afschuwelijk’ is als voorheen. Vrouwen met een vrucht in levensgevaar moesten daar voortaan van worden overtuigd, opdat ze er ‘uit moederliefde’ zelf voor zouden kiezen. De pastoor moest een vrouw daartoe vertellen ‘dat de pijn van deze ingreep niet meer zo hevig is, vooral niet wanneer chloroform wordt gebruikt, en dat het bloedverlies niet meer zo immens is’.

Auteur van dat boek was M. Rath van het Groot-Seminarie te Haaren, en zo mogelijk nóg vileiner voegde deze eraan toe dat de vrouwen erbij moest worden verteld dat het verwijderen van een overleden foetus langs vaginale weg pas echt ‘afschuwelijk en zeer wreed’ is (link).

De wreedheid kende geen enkele grens, want gehuwde vrouwen moesten en zouden zwanger worden, ook als ze door een vernauwd bekken niet vaginaal konden baren. Bij herhaalde keizersnedes raakte het litteken dusdanig verzwakt dat het spontaan kon openbarsten, en dan nooit meer dicht te krijgen was. Mannelijke onthouding was echter geen optie, en sterilisatie van de man ook niet. Dus resteerde alleen sterilisatie van de vrouw, wat echter beeslist niet mocht op haaar eigen verzoek. Vanwege de betere prognose van een sectio caesarea (S.C.) mocht een medicus

A.P. Ketel, 1922, Keizersnede (link)

Ook het risico op blijvende blaasbeschadiging bij een keizersnede bleef nog heel groot, maar reeksen theologische werken schreven nu voor dat een vrouw toch zelf hoorde te kiezen voor de operatieve doop van haar vrucht. Een voorbeeld is het boek Vragen over de kuisheid en de lust‘ (in het Latijn: Quaestiones de castitate et luxuria), in 1926 gepubliceerd door de Vlaamse priester Merkelbach. Nogal omslachtig leerde dit boek dat God de priesters verplicht om artsen op hun plicht te wijzen de vrouw de verplichting voor te houden om  de keizersnede te ondergaan (link, p. 25-26).

Als ongelovige begrijp je hier helemaal niets van. Een groep mannen zonder vrouw verzon dus een hogere man om weer andere mannen te verplichten de vrouw ervan te overtuigen zich te laten opensnijden ten dienste van die verzonnen hogere man.

In deze bijzondere manosfeer avant la lettre werd de allerhoogste man voor wel meer dingen aangeroepen. Uit het Haarense Groot-Seminarie kwamen nog de bewerkte herdrukken van de roemruchte 19de-eeuwse Theologia Moralis door F. P. J. Aertnijs. Dit boekwerk, eveneens in het Latijn, heeft vele drukken gehad. Het werd uitgespeld in alle priesteropleidingen, niet alleen in Nederland maar tot in Polen en op Java (link). De 17de editie van 1956 bespreekt elke denkbare gynaecologische operatie om erbij te vermelden of deze moreel ‘geoorloofd’ is of ‘verboden’. Er is weinig geoorloofd, en onder de categorie ‘verboden’ valt ook het redden van het leven van de vrouw als haar foetus niet kan worden gedoopt. De categorie ‘verplicht’ ontbreekt uiteraard eveneens niet, want die geldt nog altijd voor je eigen dood omwille van de doop der ongeboren vrucht. Een miskraam (‘abortus’) is je eigen schuld. Die treedt op als je bij zwangerschap te lang hebt gelopen, of je voeten in koud water hebt gewassen. En ook ‘zwangere moeders’ die dansen, overmatig werken, zware lasten tillen of dragen, zich overgeven aan heftige woedeaanvallen, melancholie, of alcohol drinken, lopen risico op een miskraam of schade aan het kind’ (link).

Een seminarie is een priesteropleiding waar jongens studeerden wier enige gesprek met een vrouw ooit dat met hun moeder moet zijn geweest. Verder beperkte zich dat tot het afnemen van de biecht. Dus vond de protestantse krant De Fakkel het in 1852 al erg onrustbarend dat die jongens de noodzaak van het opensnijden van zwangere vrouwen werd wijsgemaakt. Onder de kop ‘Roomsche en Jezuïtische Curiositeiten’ noemde deze krant met name de Warmondse priesteropleiding:

De Fakkel, 18 juni 1852 (link)

In 2022 promoveerde archivaris René Bastiaanse, als gepensioneerd directeur van het Brabants Historisch Informatie Centrum, op een proefschrift over de katholieke huwelijksleer. In dat indrukwekkende boek besteedt Bastiaanse ook uitvoerig aandacht aan wat die jonge jongens allemaal leerden over seksualiteit. Hij citeert zelfs uit de aantekeningen van sommige priesterstudenten. Student Wersch heeft bijvoorbeeld ijverig genoteerd: ‘Bartholinische klieren aan weerszijde van de ingang van de vagina scheiden vaste tot draden te trekken vloeistof af’ en student Bernard had daarover nog opgepikt: ‘De klieren van Bartholin scheiden bij aaien smeervocht af. Dit geeft plezier’ (link).

Bastiaanse vertelt het allemaal met ironische verbazing. Hij sust de lezer ook dat de katholieke bevolking, zeker vanaf de jaren vijftig, de soep niet zo heet heeft gegeten als deze werd opgediend. Het zal wel komen doordat ik zelf een vrouw ben dat ik het allemaal met minder distantie lees. Het besef schokt me dat ik als middelbare scholier op deze manier door mijn katholieke leraren en zielzorgers moet zijn bekeken. Ik was dus een wandelende bundel organen (mijn brein duidelijk uitgezonderd). Mijn gedachten gaan ook terug naar het praatgroepje ‘verhouding jongen-meisje’ in de kamer van een pater in het Maastrichtse Jezuïetenklooster aan de Tongersestraat. Van de inhoud herinner me gelukkig niets, maar, besef ik nu, die man had dus dergelijke smoezelige lectuur in zijn achterhoofd. Je moet er al helemaal niet aan denken hoe hij over onze moeders heeft gedacht.

En hoe zit dat dan met de katholieke mannen met wie ik nu in gesprek ben via de media? Die zien mij immers ook overduidelijk als een vrouw, wat geen geruststellende gedachte is. Tijdens hun opleiding moeten ze verder nog de Katholieke Moraaltheologie door kloosterling Heribert Jones hebben bestudeerd. Ook dit boek beschreef alle vrouwelijke organen op een perverse klinisch-morele manier. ‘Om ergernis te vermijden en niet in conflict te komen met de wet’ hoefde een priester toen, althans bij latere zwangerschappen, niet langer persoonlijk het mes te hanteren, lees je nog in de latere versies.

Prominente vertegenwoordigers van de katholieke kerk propageerden de keizersnede voor de doop dus door de eeuwen heen. Was een paus daarover ooit van oordeel veranderd dan had deze zich er ook van kunnen distantiëren.

6. “Dit kwam niet in katholieke medische leerboeken voor”

De doop der ongeboren vrucht kwam ook niet in katholieke leerboeken voor, stelt Van Peperstraten echter verder nog. Eigenlijk is het onzinnig om hier nog op in te gaan, want werken zoals die van Cangiamila, Debreyne en Sterckx golden als leerboek. Maar goed, ook deze repliek valt met nóg meer bewijs te ontkrachten.

In de Nederlanden kreeg Cangiamila bijvoorbeeld al vroeg navolging van Petrus van Bavegem, die eerder al even ter sprake kwam. Deze kwam in 1773 met het eerder genoemde ‘Tractaet over de beruchte keyserssnede’ dat als een religieus zowel als medisch werk was bedoeld (link).

Van Bavegems boek besluit dan ook met een ‘approbatie’ (goedkeuring) door twee vertegenwoordigers der katholieke kerk, zeggend dat de inhoud volledig in overeenstemming is met het katholieke geloof. Zoals eerder de Embryologia Sacra bevat het ook een uitgebreide beschouwing over de onmogelijkheid om de dood goed vast te stellen.

Bij zwangere vrouwen was dat al helemaal moeilijk, voegde de dokter toe, omdat zij aan ‘passio hysterica’ alias ‘moederbezwijming’ konden lijden. Van Bavegem waarschuwde daarnaast dat vrouwen ‘zonder enige suspitie’ (verdenking) zwanger kunnen zijn. Dus moesten alle zieke vrouwen in de vruchtbare leeftijd volgens hem worden opengesneden. Want anders wachtte mogelijke ongeborenen het meest afschrikwekkende lot, te weten dat van een doodsbed in het moederlijf:

De centrale boodschap van Petrus van Bavegem was dat een vrouw kon worden geopend zonder dat ze daaraan dood hoefde te gaan, mits de chirurgijn zo bedreven was als Petrus van Bavegem. Daarom bevat het boek aan het morbide stripverhaal waarvan ik al een plaat liet zien. De volgende legt het moment van de uitname van een grotere foetus vast:


Uit Petrus van Bavegem, 1773, Tractaet (…) over de beruchte keyserssnede

En de derde plaat laat zien hoe de buik met grove horizontale steken wordt dichtgenaaid. Ze is hier hologig afgebeeld maar ze heft haar rechterhand nog achter het hoofd van de ‘helper’. Verdoving was er niet, maar ‘de moederliefde vereist dat de vrouw de zaligheid van haar kind boven haar eigen leven stelt.

In zijn latere Verhandeling over het verlossen van koeijen constateerde Van Bavegem nog dat deze dieren veel gemakkelijker te opereren zijn. Zij hebben tenminste geen last van de ‘gemoedsaandoeningen en driften, welke aan het vrouwelijk geslacht zoo eigen zyn’ (link).

Hedendaagse medici bevestigen dat het succes van de toenmalige keizersnedes hooguit van uiterst korte duur kan zijn geweest. Dit is nog altijd een uiterst complexe operatie, waarbij anesthesie niet alleen voor pijnstilling dient. Ook die moet zeer deskundig worden uitgevoerd om de vrouw (of koe, @Van Bavegem) niet tijdens de operatie al in een dodelijke chirurgische shock te doen belanden.

De vrouwen stierven anoniem maar Van Bavegems huidige wikipedia-pagina praat de beroemde geneesheer zelf nog altijd na: ‘Hij was een van de eerste artsen die een keizersnede succesvol uitvoerden’ (link).

Een volgend voorbeeld is het boek Pastorale Geneeskunde door dokter Matthias Vering uit 1841. Bij een zieke vrouw moet je controleren of ‘zij zich in gezegende staat bevindt’, vertelt dit boek. Hij zegt er niet bij hoe (er waren geen zwangerschapstests), maar bij een positieve conclusie moest de dokter verbergen wat hij van plan was. Naar katholieke gewoonte gaat ook dit leerboek bij geheimzinnige zaken over op het Latijn. Ineens lees je: ‘sectio caesarea fit sequenti modo’ (‘een keizersnede doe je zo’). Eveneens in het Latijn volgen er daarna aanwijzingen over de hoek van waaruit zo’n vrouw met het mes moest worden benaderd, de plek waar de snede beginnen moet, en elk detail voor de verdere ingreep (link).

Dat geheel eindigt met: ‘Tenslotte worden de wond en de buik van het lijk [sic] door een getrainde chirurg gewassen en verbonden’ (Vulnus denique et abdomen cadaveris ablunatur et connectatur ab advocato chirurgo) (link). Tegelijk was het beëindigen van een zwangerschap als levensreddende ingreep taboe. Dus vond Vering dat vrouwen met een vernauwd bekken door rachitis (‘engelse ziekte’) ongehuwd moesten blijven. Alle andere vrouwen moesten zich tijdens een zwangerschap aan reeksen strikte regels houden want anders was een spontane abortus hun eigen schuld.

In 1922 schreef het Maandblad voor Katholieke Vroedvrouwen nog altijd dat ook de vroedvrouw ‘al vreest zij in botsing te komen met de Nederlandsche wet’ een aan haar toevertrouwde zwangere zo nodig moest opensnijden (link). En een Handboek voor Katholieke Kraamverpleegsters uit 1932 bespreekt de inwendige doop met de ‘doopspuit’ die desnoods door de strak gesloten baarmoeder werd geduwd en waarmee ook de vliezen moesten worden doorbroken. Dat was eveneens erg pijnlijk en inmiddels was overbekend dat dit groot infectiegevaar oplevert. Gynaecologen waarschuwden indertijd dat zo’n spuit dus op zijn minst met gesteriliseerd water moest zijn gevuld. Maar dit handboek door de katholieke gynaecoloog Andreas Ausems houdt de kraamverpleegsters voor dat doopwater met daarin ‘toevallig een weinig melk of benzine’ geen probleem hoeft te zijn (link).

Het aloude idee dat de zaadcel de nieuwe ziel doet verschijnen, is in dit boek in een 20ste-eeuws quasiwetenschappelijk jasje gestoken: de katholieke kraamverpleegsters leerden dat de ziel zich met het pas ontstane lichaampje verenigde op het moment dat ‘de spermatozoïde zich met de eicel vereenigde’.

Toen mijn moeder in 1947 voor het eerst in verwachting was, schreven ook leerboeken voor verpleegkundigen nog altijd de meedogenloze doop van ongeborenen voor. Ik opende dit relaas met het Katholiek Verpleegstersboekje door priester Popma. De instructies kwamen niet van officiële kerkelijke zijde, zegt men nu ondanks al het tegenbewijs. En dus noem ik ook de hele titel maar even van het gelijkgestemde boek door pastoor H.J.F.M. Bless: Godsdienstleer voor katholieke verplegenden, Overeenkomstig de richtlijnen van het Hoogwaardig Episcopaat met begeleidend schrijven van Z. Em. Johannes Kardinaal de Jong (link).

Daarnaast was er nog het invloedrijke boek Geneeskundige plichtenleer door pater Salsmans, evenals diens Plichtenboekje voor ziekenverpleging, plus het boek De katholieke verpleegster door priester H. Rothoff. Deze verwijzingen ontleen ik aan het proefschrift van archivaris René Bastiaanse, geschreven als gepensioneerd directeur van het Brabants Historisch Informatie Centrum. Uit diens boek citeer ik ook het commentaar: ‘Werkelijk alles werd in het werk gesteld om een menselijk wezen, hoe klein het ook mocht zijn, te bestemmen voor de hemel; om zielen te redden, ging men tot uiterste. Voorbij alle grenzen.’ (link).

7. “De opdracht is zelden uitgevoerd, en dit hele verhaal is dus niet relevant”

Tot nu toe heb ik laten zien dat 1) de buiksnede voor een doop niet alleen bij voldragen zwangerschappen plaatsvond en dat 2) deze ingreep ook bij levende vrouwen is uitgevoerd en dan een ellendige dood betekende, terwijl hij 3) werd voorgeschreven door officiële katholieke autoriteiten en 4) hun opdracht werd verspreid in lesmateriaal voor niet alleen priesters maar ook dokters, vroedvrouwen en verpleegkundigen terwijl hij 5) ook is uitgevoerd.

Eind 2025 en begin 2026 waren de contradictoire reacties echter dat de doop van ongeborenen niet heeft bestaan en zelden in praktijk is gebracht.

Nadat zijn blog was tegengesproken twitterde Van Peperstraten bijvoorbeeld dat er – bij diens nadere inzien – toch vijf bewezen gevallen zouden zijn geweest, wat hij ‘slechts’ vijf gevallen noemt. Zou dat kloppen, dan zou het al erg genoeg zijn en gemakshalve vergat hij zelfs de drie gevallen die hij er zelf ongewild aan had toegevoegd door op de scriptie van Brand te wijzen. En tijdens de genoemde EO-radioprogramma Dit is de dag (link) wilde ook de vertegenwoordiger der kerk en wetenschap Paul van Geest er alleen waarde aan hechten als met tellingen zou worden aangetoond dat het héél vaak is gebeurd. Dat het vaak is gebeurd, heb ik en hebben andere historici al aangetoond, en de absolute getallen zullen dus nooit kenbaar zijn.

Is iets volgens het katholieke geloof ook alleen laakbaar voor zover je erop bent betrapt? En ook nog alleen als je er heel vaak op bent betrapt?

Stel dat de opdracht tot verkrachting in de katholieke voorschriften had gestaan, was dat dan niet extra schokkend geweest naast de aantallen keren dat die daad aan het licht is gebracht? Kan dit ook alleen bij ‘voldoende’ aantoonbare gevallen worden veroordeeld? Hoeveel is dan voldoende?

Anders gezegd: als Andrew Tate schrijft dat je vrouwen moet verkrachten en als hij dat ook een bewezen aantal keren heeft gedaan, moet een veroordeling dan afhangen van bewijs dat hij het nog veel vaker heeft gedaan?

Voor dark numbers ligt de getalsmatige bewijslast niet bij degenen die een reeks gevallen hebben aangetoond. De bewijslast ligt bij degenen die willen betogen dat het bij die reeks is gebleven.

Ook dat zal hen trouwens niet lukken. Ter nadere toelichting: in mijn eigen katholieke familie is in 1917 een zwangere maar niet zieke vrouw door haar huisarts naar een katholieke vrouwenkliniek in Leiden gestuurd. Dat was tot ieders verbazing want Cornelia was niet ziek en het betekende een hele reis voor haarzelf en haar 10 jaar jongere zusje Lena dat haar vergezelde. Toen Lena alweer thuis was, kwam er ineens een telegram meldend dat de familie naar de kliniek moest komen. Tot intens verdriet van iedereen bleek Cornelia daar te zijn overleden. Ze liet 7 eerdere kinderen achter en de 26-jarige Lena, ongetrouwd omdat ze voor haar demente moeder zorgde, heeft die kleintjes toen alleen en in grote armoede grootgebracht. Tegen haar 40ste zou ze zelf pas trouwen en daarna één eigen dochtertje krijgen, dat zelf 8 kinderen van mijn generatie heeft voortgebracht.

Op hoge leeftijd heeft oma Lena haar veelbewogen levensverhaal op schrift gezet en het hoort uiteraard tot de vaste familie-verhalen. Maar pas vele jaren later, door het werken aan mijn boek, ging er bij mij een lichtje op. Waarom heeft Cornelia’s katholieke huisarts haar ineens naar dat verre ziekenhuis gestuurd? Zou hij iets aan de harttonen van haar nieuwe vrucht hebben gehoord? Ze bleek ook eerder al twee miskramen te hebben gehad. Hebben die de dokter extra alert op de katholieke voorschriften gemaakt?

Of heeft mijn boek me te achterdochtig gemaakt? We zullen het nooit weten, want in het ziekenhuisarchief bleek Cornelia niet terug te vinden en het nagetrokken overlijdensregister zwijgt eveneens als het graf.

Dus kennen we slechts de bewezen gevallen die indertijd door moedige buurvrouwen, artsen en journalisten zijn aangekaart. Het was de bedoeling dat het ritueel zich geheel achter gesloten deuren voltrok, zodat de vrouwen probleemloos als gewoon gestorven konden worden ingeboekt. Dit moet vaak zijn gelukt, zoals alleen al valt af te leiden uit de gevallen waarbij dat het mislukte, en daar zijn er nog meer van.

Voor de lezer die nu nog niet overtuigd is: pastoor Joors uit Schinveld stond erom bekend dat hij zijn mes vaker in het lichaam van zwangere vrouwen plaatste. Tenminste 4 gevallen zijn door boze dorpsbewoners op schrift gesteld. Later is uitgekomen dat Joors een daarvan ook in zijn dagboek heeft genoteerd. Dat was geschreven in het Latijn, maar in vertaling staat er: ‘Op 14 januari (1857) overleed Maria Gertrudis Palant, de vrouw van J. L. Bruykers, plotseling aan een zenuwinzinking. Ze was zes maanden zwanger. Omdat er geen chirurg of vroedvrouw aanwezig was, voerde ik een keizersnede uit. Het meisje, dat door mij gedoopt was, overleed kort daarna’ (link).

Misschien moet ik er opnieuw aan herinneren dat pastoors helemaal in staat noch gerechtigd waren om de dood vast te stellen, noch om een lijkopening te doen, en dat het hier duidelijk niet om het redden van een levensvatbaar kind ging.

Palants man heette verder Breukers en niet Bruykers en de datum was twee maanden later, maar verder klopt het verhaal want ook Maria Palants dood bleek in de overlijdensregisters te zijn opgenomen (link).

Dat geldt eveneens voor die van vijf maanden zwangere Elisabeth Snel die op 14 december 1857 als overleden is geregistreerd, samen met een ‘levenloos geboren dochter’. Ook zij is door pastoor Joors vermoord, die dat op meer manieren probeerde te verhullen. Na het extra bloederige geval van Elisabeth Snel heeft hij de geschokte echtgenoot bijvoorbeeld opgedragen meteen een kist te timmeren waarin diens vermoorde vrouw en foetus ook direct moesten worden begraven.

Volgens een tweet van Van Peperstraten heeft Joors in het eerste geval niets verkeerds gedaan en zou er over de andere zaken niets terug te vinden zijn. Daarmee negeerde hij mijn bewijsvoering in een reeks noten bij mijn boek, inclusief de links waarmee iedereen met een muisklik naar de oorspronkelijke bronnen kan gaan (noot 71 t/m 78, p.357-358; het notenbestand is beschikbaar op de website van uitgever Atlas Contact, link, zowel als die van mijzelf, link).

Later vond ik er nog een extra krantenartikel over (link) en op basis van nieuwe aantekeningen zou het Vrijmetselaarsblad L’Union Fraternelle 30 jaar later nog eens uitvoerig aandacht vragen voor de Schinveldse zaak (link). Maar ook dat bleef zonder vervolg.

En zo gaan de voorbeelden van geheimhouding uit het verleden ook tegenwoordig nog door. Bekend was bijvoorbeeld dat je van cholera kunt herstellen nadat je er dood hebt uitgezien. Maar in een ziekenhuis bij (nu in) Brussel werden de zwangere cholerapatiënten in een achterafzaaltje gelegd. Geneeskunde-student Armand de Vos die deze ‘buitengemeene kraamplaats’ jaren later onder pseudoniem zou beschrijven, bekende dat hem zelf werd bevolen de ingreep uit te voeren. In een boek uit 1879 beschrijft hij één geval in de meest griezelige geuren en kleuren, en hij schatte dat er tijdens zijn driejarige coschap in dat ziekenhuis zo’n 50 gevallen zijn geweest.

Pas na het verschijnen van Ei, foetus, baby zag ik dat een ander voorbeeld uit dit ziekenhuis in 1862 de krant had gehaald. Dit keer had onderpastoor De Coninck ziekenoppasser Pierre opgedragen de operatie uit te voeren. Daartoe had hij deze Pierre tevoren een aantal borrels laten drinken. Als betaling voor de bewezen diensten had de man nog 4 frank gehad. Het kind had nog twee uur geleefd, wat erop duidde dat het uit een levende vrouw gesneden was (link, zoekterm ‘Koekelberg’).

Zijn deze extra voorbeelden nog steeds onvoldoende? Twee jaar later rapporteerde hetzelfde blad over een andere vrouw, die na geruchten was opgegraven. Ook zij bleek in haar kist te liggen met een opengesneden buik, met daarin een beschadigde foetus van slechts vier maanden. Bij politie-bezoek overhandigde de verdachte priester het broodmes waarmee hij, zoals hij bekende, het moorddadig sacrament had verleend:

Uit De Vlaamsche Evangeliebode, 15-10-1867 (link, zoekterm ‘broodmes’)

Er kwamen dus gevallen aan het licht van ook vroege zwangerschappen, maar de priesters zelf zwegen erover tegen de buitenwacht. Derden hadden bovendien nauwelijks toegang tot de canonieke werken die het ritueel voorschreven. Als die boeken al beschikbaar waren, en in een gewone taal waren geschreven, gingen ze bij zaken als de doop van ongeborenen veelal plotseling over op het Latijn.

Degenen die de Schinveldse en Vlaamse gevallen publiekelijk hebben aangeklaagd, werden daarna eveneens op ontkenningen en agressie van kerk en volgelingen onthaald. Gelovigen uit Schinveld steunden hun pastoor met tromgeroffel, geweerschoten, en bedreigingen. Die mensen waren eind 2025 vertegenwoordigd door Van Peperstraten en ‘Geen stijl’, welke laatste partij het gelukkig eveneens bij slechts woorden liet (‘bakerpraatjes’ – een bijzondere metafoor in deze context, die ook nog seksistisch is).

8. “Het verleden mag niet vanuit het heden worden beoordeeld”

Je mag het verleden niet vanuit hedendaagse maatstaven beoordelen, beleerde Van Peperstraten nog. Amen, mijnheer pastoor. Zoek het woord ‘mansplaining’ eens op. Dat is inderdaad een basisregel van wetenschappelijke geschiedschrijving. Een goed historicus onderzoekt daarom ook hoe er in vroeger tijden werd gedacht over het onderzochte fenomeen.

Een geschrift uit 1710 over de ontkenning van de noodzaak tot het dopen van ongeborenen (‘negatis batpismum infantis in utero’) (link)

Zoals hierboven besproken en ook mijn boek laat zien, is er altijd verontwaardiging geweest over deze katholieke praktijk. De schrijvende vroedmeester François Mauriceau gebruikte in 1683 ook al termen voor zoals ‘roekeloosheit’, ‘wreedheit’, ‘barbaersheit’, ‘onwetendheit’, ‘buitensporige onmenschelykheit’ en ‘leugenachtigheit’ voor de ‘uitsnydende werkking’. Dat dopen van de vrucht was volgens hem ook vaak domweg een dekmantel om van de vrouw af te komen, en het gebeurde ook als ze nog leefde. Men deed het net zo goed in het openbaar en bij vrouwen werkend in het veld.

In wanhoop stelde Mauriceau voor om dan maar een ‘pypken van een klein speuitje’ door de strak gesloten baarmoedermond te voeren, die desnoods door insnijden of met kracht moest worden geopend. Ook al was dat eveneens buitengewoon pijnlijk voor de vrouw, de buiksnede werd haar dan tenminste bespaard. Die was altijd dodelijk en ook de ‘goede Godtsgeleerde’ weet dat er veel redenen zijn om voor het leven van de vrouw te kiezen bij een gedwongen keuze met het zielenheil van het kind:

Mauriceau, F., 1683,Tractaat van de siektens der swangere vrouwen, p.272-273  (link)

Mauriceau kreeg echter de theologen van de Sorbonne tegen zich die na veel scholastisch beraad besloten dat het kind toch echt voor de vrouw moest gaan. In het beroemde boek The Life and Opinions of Tristram Shandy door Laurence Sterne uit 1759 staat een karikatuur van dat universitaire overleg. Als de kindjes zich al in de zaadcellen bevinden, spotte Sterne ook, dan is het toch veel efficiënter om ze en masse met doopwater te besproeien in de ballen van een man? Dat zou meteen na de huwelijksvoltrekking kunnen worden gedaan, en dus voordat het tot seks gekomen is. Hij liet katholieke schriftgeleerden ook uitgebreid scherpslijpen over de vraag of zo’n doop met een doopspuit nou wel of niet geldig is (link). Maar Cangiamila had op dat moment al bepaald dat deze werkwijze zonder meer inferieur was.

Het verzet bleef altijd bestaan, zoals (ten overvloede) onderstaand fragment uit een Vlaams spotschrift van 1877 andermaal laat zien. De auteur is zich alleen bewust van het dopen nadat de vrouw is overleden, maar vindt dat al erg genoeg:

Spotschrift Catechismus van den rationalist, 1877 (link)

Het zou leerzaam zijn om eens een onderzoek in Duitse archieven te doen, want Cangiamila is ook in Duitsland uitgegeven (link). Mijn zoektochtje van tien minuten leverde al meteen informatie op: in oktober 1901 besprak het socialistische blad Vorwärts een nieuwe religieuze vinding. Dat was een met doopwater gevulde holle naald die dwars door de buik- en baarmoederwand heen naar het ongeboren hoofdje werd gevoerd. Hierom en vanwege de andere methoden voor de doop van ongeborenen hekelde Vorwärts het ‘moorden’ en de ‘waanzin van de katholieke kerk’ waarvoor ‘vrouwen nog altijd moeten boeten’ (link).

Van Peperstraten bracht nog in dat mensen zelf vroegen om een doop van hun ongeboren kind. Maar dat dank je de koekoek als ze eerst doodsbang zijn gemaakt en ook familieleden werd ingewreven dat ze zelfs elke mógelijke zwangere vrouw bij de pastoor moesten melden. Nog erger dan de keizersnede voor de vrouw was het van het eeuwige voorgeborchte voor hun kind. Geen wonder dus dat zwangere katholieke vrouwen zelf ook soms smeekten te worden opengesneden:

Uit Paul Portal, 1690, De practyk der vroedmeesters en vroedvrouwen (link)

In dit geval wist vroedmeester Portal vrouw en kind nog te redden, maar als hij wist dat dat niet zou lukken probeerde hij de opdracht tot de sacramentele keizersnede al op allerlei manieren te saboteren, zoals later dus veel artsen zouden doen.

Uitvoerig beschreef Portal ook hoe je langs natuurlijke weg en heel voorzichtig in de baarmoeder kunt dopen met een spuitje of sponsje. En anders kwam hij ook hij al gewoon te laat:

Uit Paul Portal, 1690, De practyk der vroedmeesters en vroedvrouwen (link)

Tegelijk probeerde ook het katholieke volk zelf probeerde nogal eens te ontsnappen aan de pastoors met hun scheermes, zakmes, keukenmes of broodmes (al die soorten messen komen voor in de hier opgenomen knipsels). Cangiamila beklaagde zich bijvoorbeeld over ‘het weinig verfijnde platteland’, waar mannen hem belaagden en vroedvrouwen logen dat een vrouw al een tijdje dood was. Uit eigen zak moesten de pastoors soms de ‘lompe chirurgijns’ betalen die anders niet bereid waren om het snijwerk te doen.

Martinus Dingemans, Chirurgijn-Majoor voor de Bataafse Republiek, zou in 1803 ook beschrijven hoe een groep andere vrouwen een geplande uitsnijding heeft afgeweerd. Ze twijfelden niet aan de dood van de zwangere vrouw die dreigde te worden opengesneden. Toch hebben ze net zo lang gescholden en ‘getwist’ tot de foetus van 8 maanden gewoon niet meer levend te dopen viel. Het verzet van deze vrouwen is te begrijpen want het snijden had een gruwelijk geschonden dode vrouw opgeleverd, met in de geopende baarmoeder een eveneens dode foetus die veel ellendiger was gestorven dan zonder sacrale mishandeling gebeurd zou zijn.

Dat staat allemaal in schril contrast tot de hedendaagse reacties van katholieke zijde. ‘In tegenstelling tot het meer obscurantistische protestantisme’, schreef Van Peperstraten ook nog, ‘kwam de katholieke theologie vanaf de 16de eeuw aan de kant van de rede te staan’.

Je gaat je afvragen met welk historisch besef tegenwoordige katholieke geestelijken eigenlijk zijn opgeleid. Het 16de-eeuwse katholicisme is immers ook berucht vanwege de Inquisitie die in Nederland ‘ketters’ opspoorde, dat wil zeggen niet-katholieken afvalligen zoals gevluchte kloosterlingen. Die werden daarvoor gemarteld en levend verbrand en daarbij bestond het man-vrouw onderscheid niet

Dit knipsel komt uit een geschiedenis met als aanhangsel een lange reek originele 16de-eeuwse documenten van inquisiteur Franciscus Somnius, geboren in het Brabantse Son en met hoge functies in de katholieke kerk der Nederlanden. Die geschiedenis vol fanatisme is in de jaren 1970 door een katholieke geestelijke geschreven. Je leest het vol verbijstering, en dat al helemaal bij de mededeling aan het begin dat de Nederlandse inquisiteurs ‘juist de grootst mogelijke menslievendheid aan de dag gelegd hebben’ (link zoekterm ‘Somnius’).

Eeuwen geleden oordeelden andere mensen ook al dat het katholicisme veel meer aan de kant van het obscurantisme dan van de rede stond. Als het gaat om de doop van ongeborenen zijn er behalve van medisch hulpverleners ook altijd protesten geweest van andersgelovigen, socialisten, schrijvers en journalisten.

Het verleden mag niet vanuit het heden worden beoordeeld, maar zeker ook niet vanuit het heden worden verfraaid.

Na veel debat werd het afgrijzen over de foetusdoop, zoals verteld, uiteindelijk mede aanleiding tot de invoering van de Begrafeniswet. Vanuit België heeft kardinaal Sterckx zich daar nog flink tegen verzet. Hij schreef een openbare brief tegen het Nederlandse ‘dogma’ dat een wetsovertreding nodig maakte om een ongeborene te dopen:

NRC, 18-3-1869 (link)

Er zijn ook meer 20ste-eeuwse zaken aan het licht gekomen en met woede besproken. In mijn boek staat een uitvoerige behandeling van het juist genoemde voorbeeld van een zwangerschap van slechts drie maanden, omdat deze zaak een kantelpunt in de geschiedenis van abortus werd. Dat komt doordat deze zaak zoals verteld publiekelijk is aangekaart door de bekende hoogleraar gynaecologie Hector Treub. Dat deed deze met onder andere het bittere commentaar: ‘Daar ligt een jonge vrouw vermoord door de bekrompen voorschriften van de H. Officie’ (link).

De gezaghebbende jurist Rhijnvis Feith mengde zich in de kwestie met de mededeling dat hij ook hij de dood van de vrouw diep betreurde omdat deze niet nodig was geweest:

Feith in Het Rechtsgleerd Magazijn van 1902 (link)

Feith vroeg zich nog af waarom er niet was gekozen voor het sparen van de vrouw en de ziel van haar vrucht door de laatste meteen na het beëindigen van de zwangerschap te dopen. Treub maakte zich intussen ook sterk voor een betere abortuswet omdat artsen hiervoor nog altijd juridisch strafbaar waren. Om het onderscheid te benadrukken keerde hij zich ook tegen alle aborteurs zonder medisch diploma. Hij sloot niet uit dat die kundig en veilig konden werken, maar benadrukte vooral dat alleen gediplomeerde medici kunnen beoordelen of de ingreep noodzakelijk en dus moreel verantwoord is, Treubs teleurstelling en woede waren dan ook enorm toen de orthodox-katholieke minister Robert Regout de beruchte Zedenwet van 1911 door het parlement had gekregen. Vanaf toen stond op elke vorm van abortus in het belang van de vrouw zelf een gevangenisstraf van drie jaar, en voor een medische professional zes jaar plus ontzetting uit diens beroep.

Tegelijk bleef het uitvoeren van een keizersnede voor de doop nog nauwelijks strafbaar, en totaal niet als deze in een ziekenhuis werd uitgevoerd. Er was wel enig verzet tegen: in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde (NTvG) van 1921 lichtte cardioloog Adriaan Korteweg, zoals eerder verteld, toe waarom hij niet langer aan dit ‘pijnlijk stuitend schouwspel’ mee wilde doen. Hij vond het vreselijk om zich met zijn stethoscoop over de openliggende baarmoeder te moeten buigen om te bepalen of de vrucht nog levend en dus doopwaardig was. Als cardioloog wist Korteweg al helemaal hoe moeilijk de dood vast te stellen is, en ook voor hem was deze doop een overtreding van het gebod ‘Gij zult niet doden’.

Terwijl Treub twintig jaar eerder weinig aandacht had voor de doop van de ongeboren vrucht, had Korteweg zich grondig ingelezen in de katholieke voorschriften hiervoor. Hij was het die mij ongeveer een eeuw later op het spoor daarvan heeft gezet. Maar het hielp andermaal niets. Ook Kortewegs noodkreet is hem slechts op de overbekende beledigde reacties van katholieke zijde komen te staan. Dat gebeurde zowel in het NTvG als in Nederlandse Katholieke Stemmen. De juist genoemde theoloog C.A. Damen reageerde in dat priesterblad opnieuw in met Latijn doorspekt Nederlands: ’tarnen aeterna salus infantis praevaleret parvae isti mortis accelerationi matris’ (het eeuwige heil van het kind weegt zwaarder dan een vervroegde dood van de moeder) (link).

Terwijl de vrouw dood moest voor de doop van de ongeboren misdadige ziel, mocht ze ook nog steeds niet worden gered als haar zwangerschap voor haar , en daarmee voor haar vrucht, levensbedreigend was. ‘Waarom is abortus provocatus verboden?’ vraagt een katholiek leerboek uit 1939 retorisch. En het antwoord is dat het niet mag omdat het verboden is:

D. Bont et al, 1939. De katholieke kerk godsdienstleer en apologie (link)

9. “De vrucht wordt niet boven de vrouw gesteld”

De katholieke doop was een symbolische kinderroof, en Marco Bellocchio’s film Rapito (Ontvoerd) laat dat zien dat het zelfs letterlijk gebeurde. Deze film is gebaseerd op ware gebeurtenissen in de 19de-eeuw: de ‘Heilige Stoel’ was ter ore gekomen dat het zesjarige Joodse jongetje Edgardo Mortara als zieke peuter stiekem was gedoopt door de katholieke huishoudster van zijn gezin. Nadat zij daar loslippig over was geweest, werd het kind als katholiek eigendom beschouwd en liet de paus het dus weghalen uit het eigen gezin. Edgardo’s ouders hebben jarenlang vergeefs geprobeerd hem terug te krijgen. Maar hun zoon, intens katholiek opgevoed, liet zich uiteindelijk zelf tot priester wijden en ging zich toeleggen op het bekeren van Joden tot zijn geloof (link).

Het operatieve roven van ongeborenen is nog akeliger en blijft ook voor mij erg naar. Zoals gezegd laat ik het liefst onvermeld als ik over mijn boek spreek. Wellicht zou ‘zand erover’ ook op zijn plaats zijn, als de achterliggende overtuigingen niet de paden hadden gevormd waarlangs het denken is blijven lopen.

De mannelijke toe-eigening van ongeborenen kent vele vormen, en gebeurt nog steeds vaak onder verwijzing naar God als de ultieme man.

Terwijl zwangere vrouwen door priesters mochten worden gedood, hebben katholiek geïnspireerde wetboeken het beëindigen van een zwangerschap ter bescherming van de vrouw wél vanaf 1811 strafbaar gesteld – zelfs als deze fysiek levensbedreigend voor haar was, zoals het voorbeeld van de 3 maanden zwangere vrouw met zwangerschapsbraken ook liet zien.

Daarmee werd de vrucht eveneens overduidelijk boven de vrouw geplaatst. Dat gebeurde en gebeurt op nog veel meer manieren. Door vitaminegebrek, kankers, en infectieziekten hadden veel vrouwen in vroeger tijden een vernauwd baringskanaal. Dan stierven vrouw en kind een vreselijke dood na langdurige vergeefse pogingen tot een bevalling. Om tenminste de vrouw te redden, die vaak moeder van eerdere kinderen was, zat er niets anders op dan een ‘embryotomie’. Dat ging iedereen enorm aan het hart, maar volgens de katholieke leer ging ook in zo’n geval de nieuwe ziel onverbiddelijk voor de vrouw. Zij moest mee in het graf omdat haar nog levende kind op het ontblote hoofdje moest worden gedoopt.

Tegelijk moest het huwelijk voortdurend ‘worden geconsummeerd’, terwijl voorbehoedmiddelen tot in de jaren 1970 ten strengste verboden waren. Als vrouwen die slechts moeizaam konden baren, een bevalling hadden overleefd, moesten ze zoals verteld zo snel mogelijk opnieuw worden bevrucht, ondanks het gevaar van openbarsten van het litteken na een herhaalde keizersnede.

Maar echtscheiding mocht eveneens niet, en was vooral voor vrouwen bovendien praktisch onmogelijk omdat betaald werk voor hen verboden was. Lukte het een vrouw desondanks om te ontsnappen aan het levensgevaarlijke sperma dan gold dát voor de katholieke kerk weer wél als echtscheidingsgrond (link).

Miskramen werden ook vaak toegeschreven aan onvoorzichtigheid van de vrouw. En allerlei typen zwangere vrouwen werden als ‘miskraamgevoelig’ aangemerkt, zoals mijn boek beschrijft. Hen wachtten de meest hardvochtige behandelingen tot behoud van de zwangerschap.

‘Ongeoorloofd’ en ‘verplicht’ waren verder de meest voorkomende woorden in de het katholieke vocabulaire. En meestal stonden ze in vet of cursief gedrukt. Alles wat ook maar enigszins verbonden leek met seks was onmiddellijk ongeoorloofd of verplicht. Dus hielden de priesters zich er vooral zelf intens mee bezig, wat tot vele vormen van vrouwenmishandeling leidde.

Om een indruk te geven: in de jaren 1930 kwam het ‘inwendige maandverband’ Tampax op de markt dat vrouwen veel meer bewegingsvrijheid verschafte en daarmee ongekende vrijheid. Het werd echter meteen een onderwerp voor Nederlandse Katholieke Stemmen, door dezelfde Felix van de Loo die ok een fervent voorstander van het opensnijden van vrouwen was (link). Het gebruik van Tampax was ongeoorloofd, oordeelde hij, want daar was ‘manipuleeren aan den vulva’ voor nodig.

Van de Loo berekende hoeveel vocht er per menstruatie afgescheiden wordt, en hoeveel een tampon kon absorberen, waaruit hij afleidde hoe vaak per menstruatie dat ‘manipuleeren aan de vulva’ nodig was. Zeker voor ongehuwde vrouwen was dat manipuleren echt teveel, oordeelde hij daarop, want door die ‘ongewenste sensaties’ veroorzaakt door Tampax-gebruik zouden de meisjes hun belangstelling kunnen verliezen voor de man (link, zoekterm ‘Tampax’).

Gehuwde vrouwen die de tampons wilden gebruiken moesten eerst naar een dokter en als die zijn fiat gaf bij gebruik beschikbaar blijven voor hun man. Ze moesten ‘den tampon verwijderen vóór den actus coniugalis’ (voor een vrijpartij, zeg maar) en deze ‘de eerste uren erna niet opnieuw in te brengen’. Dat voorschrift werd gegeven ondanks dat toen al bekend was dat vrouwen tijdens hun menstruatie niet vruchtbaar zijn. Uiteraard ging ook dit artikel met heel veel geheimzinnig Latijn gepaard, zoals ‘sigillum naturale virginitatis corporalis’ (het natuurlijke zegel van de maagdelijkheid) of ‘de integritas hymenis uxori’ (over de integriteit van het huwelijk voor de vrouw).

Moraaltheoloog en Tampax-deskundige Felix van de Loo (link)
De Gynaecologische Vereeniging was het eens met Van de Loo. Uit De Maasbode, 28-05-1939 (link).

Van de Loo was in alle opzichten een scrupuleus man. In 1928 publiceerde hij nog een lange verhandeling in Nederlandse Katholieke Stemmen over de vraag of een vruchtdoop na verwijdering van de vliezen geldig is als niet ook de foetale haartjes niet opzijgeschoven zijn en vervolgens als het laagje vernix nog op het hoofdje zit (nee, niet met zekerheid) (link). Hij verzamelde ook gevallen van de uitvoering van de keizersnede voor de doop (link), en we kwamen hem eerder al tegen met gejuich over een Belgisch boek dat het opensnijden van levende vrouwen in Congo propageerde. Tevens maakte hij zich er druk om dat vrouwen die een vroege miskraam overkomt het doopritueel niet goed uitvoerden. Zullen die het vruchtblaasje wel openen, het vruchtje in lauw water dompelen en daarna uit het water tillen onder het uitspreken van de juiste formules? ‘Geen ernstig man, die dit aanneemt’, en dus stelde Van De Loo voor de vrouwen in ‘moedercursussen’ te laten oefenen evenals voor te lichten over de noodzaak van de keizersnede, waartoe ze bij hoge uitzondering tot de vergaderkamer moesten worden toegelaten (link).

Tegelijkertijd was seksuele voorlichting ‘ongeoorloofd’. Raakten de onnozel gehouden meisjes zwanger (‘Ik snap het niet, want hij heeft me niet gezoend’) dan werden ze in katholieke kring het meest onbarmhartig bejegend. Nu levende mensen vertelden de afgelopen jaren hoe dat hun hele bestaan negatief heeft beïnvloed. Tot en met de jaren zeventig werden kinderen van ongehuwde vrouwen afgenomen, met blijvende gevolgen voor zowel deze vrouwen als hun kinderen. Het onderzoeksrapport hierover dat in 2025 verscheen, vertelt het ene hartverscheurende verhaal na het andere van nu nog levende mensen (link, ik was lid van de Commissie Binnenlandse Afstand en Adoptie die het onderzoek begeleidde en het rapport schreef). Reactie van alle kerken bleef uit, terwijl zeker de katholieke kerk zich ook bij deze schrijnende gevallen van haar uiterst hardvochtige zijde had laten zien.

Bij alle Mariaverering was de katholieke kerk extreem hard voor vrouwen. Was je ongehuwd en zwanger dan werd je kind afgenomen, was je gehuwd en niet zwanger dan werd je verplicht dat snel (weer) te worden, was je ongehuwd of gehuwd en zwanger dan had je de kans te worden opengesneden.

Schijnbaar argeloos blijven pausen tot op de dag van vandaag herhalen dat een bevruchte eicel meteen al een ziel bezit, zodat elke zwangere vrouw nog steeds onder curatele van zielzorgers valt. Nog altijd denken de mannelijke vertegenwoordigers der katholieke kerk aldus te mogen bepalen wat ‘geoorloofd’, ‘verplicht’, en ‘verboden’ is voor een vrouw. En in elk geval bij een buitenbaarmoederlijke zwangerschap wordt in 2025 nog betoogd dat een chirurg in de operatiekamer doopwater in het lichaam van de vrouw moet gieten (link).

10. Hoe nu verder?

We zijn in de kerstperiode van 2025 als ik aan deze repliek werk, en trots verschijnt pastoor Van Peperstraten in De Telegraaf. Hij heeft een kazuifel aan en staat voor een kerststal. De beeldjes van de herders staan daarin op veilige afstand van Maria, precies zoals wij dat vroeger thuis ook al deden. Maar deze pastoor heeft het kindje compleet met kribbe bij haar weggehaald. Breed lachend houdt hij dat nu in zijn eigen armen (link).

Beter gesymboliseerd krijg je de eeuwenlange priesterlijke en mannelijke toeeigening niet. Deze is ook indringend beschreven door literatuurcriticus, journalist, schrijver (en moeder) Dieuwertje Mertens. Zoals alleen een vrouw dat kan, laat Mertens in haar boek Moeders. Heiligen Maria nu eens zelf aan het woord, die alle onzin over haar al zoveel eeuwen machteloos doorstaat (link).

De bijbehorende boodschap in De Telegraaf was er bovendien een van solidariteit met de Joodse gemeenschap. Je hoeft niet te ontkennen dat die nodig is om ook op het immense leed in Gaza te wijzen. In een ander recent boek (link) schrijft verloskundige, filosofe (en moeder) Rodante van der Waal echter over vrouwen aldaar sinds de Israëlische inval: ‘Door acute tekorten aan bloed worden baarmoederverwijderingen uitgevoerd als laatste redmiddel. Ook nam het aantal miskramen toe met 300%. Keizersneden worden noodgedwongen uitgevoerd zonder verdoving. Moeders brengen hun baby’s ter wereld in auto’s, op straat en in overvolle opvangplekken waar het risico op infecties en de verspreiding van ziekten groot is’.

Priesters beleren andere mensen ook graag. Maar als het aan Van Peperstraten ligt, en misschien aan de hele katholieke kerk, gaat het bloederige ontrukken van ongeborenen aan vrouwen opnieuw de doofpot in.

Al zijn misstanden uit het verleden niet ongedaan te maken, er valt van te leren en vrede over te sluiten. Maar dat vergt wel dat ze worden erkend.

Dat ervan wordt geleerd is voor hedendaagse vrouwen uiterst relevant. Vrouwen zelf spraken na een ongewenste bevruchting eeuwenlang aan ‘het opwekken van de menstruatie’ en in boeken gaven artsen openlijk door welke middelen de vrouwen daartegen gebruiken.

In zijn Werken der Geneeskonde (1664) kon de gerenommeerde arts Johan van Beverwijck zonder problemen vele adviezen geven voor het opwekken van de ‘maent-stonden’ (de menstruatie). Het sap van Bijvoet verwijdert bijvoorbeeld alles uit de baarmoeder.

Die oude middelen waren lang niet altijd werkzaam en veilig, maar sinds de jaren 1980 is er mifepriston en misoprostol, aanvankelijk als menstruatie-opwekkers besproken. Daarna kregen ze echter de naam ‘abortuspil’. Waar is dat loodzware woord ‘abortus’ dan ooit vandaan gekomen? Het antwoord is dat dit uit precies die katholieke werken stamt die ook de operatieve vruchtdoop voorschreven (en die zelfs een spontane ‘abortus’ bespraken als de schuld van de betrokken vrouw).

Hector Treub heeft de term van hen overgenomen toen hij met hen in discussie moest. Hij bedacht daarbij het onderscheid tussen ‘abortus provocatus’ goedgekeurd en uitgevoerd door een arts versus ‘abortus provocatus criminalis’ op verzoek van de vrouw zelf die daarvoor terecht moest bij een ongediplomeerde ‘damesdeskundige’.

Nieuwe Provinciale Groninger courant, 21-08-1911

Het is langs die weg van de katholieke keizersneden, en Treubs ‘oplossing’ van het onderscheid met ‘abortus provocatus criminalis’ dat de term abortus tot op de dag van vandaag met zondigheid of misdadigheid verbonden is verbonden. Dit staat dus nog altijd in de strafwet en velen spreken nog van ‘abortus plegen’ , of lopen mee met demonstraties voor ‘het’ leven.

En zo zijn bevruchte vrouwen ook nu nog uitgesloten van artikel 11 van de Grondwet. Zeggenschap over het eigen lichaam is echter een primaire voorwaarde om mens te zijn. Kleine kinderen drukken dat al uit door eten te weigeren. En soms brengt een vrouw onder woorden dat verplichte zwangerschap als een langdurige verkrachting voelt. Zwangerschap is, anders gezegd, als seks en eten: fijn als je het graag wilt, maar een verschrikking als het opgedrongen wordt. Het is ook zware arbeid en in alle andere gevallen vinden we dat die alleen mag worden uitgevoerd als daar voor de persoon zelf een beloning op staat.

Iedere bevruchting ontstaat door een man. Als er per ongeluk een bevruchting is ontstaan, is dat ongeluk dus ook veroorzaakt door een man. Die heeft zijn sperma dan in een vrouw gedeponeerd, zonder zich ervan te hebben verzekerd dat zij een kind van hem wil.

En als een vrouw de fout noodgedwongen zelf ongedaan wil maken, loopt ze nota bene tegen door (katholieke) mannen gemaakte wetten aan. Het is dus alsof mannen vrouwen nogen aanrijden met hun auto waarna ze hen ook nog mogen hinderen bij hun poging tot herstel. Of, met een andere metafoor: het is alsof mannen ongevraagd iets mogen achterlaten in het huis van een vrouw, waarna ze haar ook nog mogen dwingen dat voor altijd te behouden en koesteren.

De huidige abortusrechten zouden ook volgens rechtse partijen moeten worden ingeperkt, terwijl bijna 87 % van de ingrepen inmiddels binnen vijf weken na de ongewenste bevruchting gebeurt en dat ook steeds meer met simpele medicatie (binnen vijf weken want tot de 8ste zwangerschapsweek die wordt berekend vanaf de laatste menstruatie)

Tegelijk wordt het programma Lentekriebels voor seksuele voorlichting op scholen onder sterke druk gezet door zowel rechtse partijen als het extremistische katholieke Civitas Christiana. Van die laatste organisatie nam de reguliere katholieke kerk gelukkig uitdrukkelijk afstand. En toegegeven het ene katholicisme is het andere niet. Er bestaat bijvoorbeeld zelfs een beweging Catholics for Choice (link). Die roept de paus op om eindelijk eens naar vrouwen te luisteren en stelt een brochure beschikbaar om hen te helpen met hun katholieke familie over abortus te praten (link).

Zou het inderdaad een optie zijn om na eeuwen eens te gaan luisteren in plaats van het hoogste mannelijke woord te blijven voeren? Een katholieke geestelijke ‘heeft’ zelfs niet eens een vrouw. Van Peperstraten mag bloggen en twitteren, maar zijn autoritaire redeneerstijl en paternalistische woordkeuzes geven een perfect beeld van de traditionele katholieke verhoudingen. Zeker vrouwen hadden en hebben nog steeds het recht niet om ergens over na te denken, laat staan hun mond erover open te doen.

Hedendaagse vrouwen brengen echter uitstekend onder woorden hoe zij ten dienste van de voortplanting worden gesteld. En wie betoogt dat het verleden niet vanuit het heden mag worden beoordeeld, verplicht zich tot verdieping in dat verleden zowel als het heden. Lees dan tenminste een boek in plaats van domweg de traditionele opinie te herhalen, en ook nog met beschuldigingen van anderen te komen.

Bestudeer dan vooral ook het juist genoemde boek van Rodante van der Waal uit 2025. Alleen al de titel Baas in eigen buik (link) drukt uit dat dit ideaal nog nauwelijks is gerealiseerd.

Tot slot: Trouw had redenen om naast de recente abortuscijfers ook de doop van ongeborenen te willen aankaarten in het interview met mij, en daar was ik het na enige aarzeling mee eens. De krant vroeg mij daarna schriftelijk op het blog van pastoor Van Peperstraten te reageren. Dit ten behoeve van een vervolgartikel door de krant zelf op 6 december. In dit artikel is een deel van mijn repliek op het blog verwerkt (link).

Deze gezamenlijke inspanningen hebben echter helemaal niets bereikt. De reacties van katholieke zijde blijven alleen maar verbolgen en vooral ontkennend. Onder ‘in de media’ op deze website is te zien dat het boek waarin het onderwerp aan bod komt al vanaf het verschijnen in 2023 veel publieke aandacht heeft gehad. De katholieke autoriteiten hadden dus veel eerder al kunnen weten dat hun tegenwerpingen geen hout snijden. Zonder hun blijvende ontkenningen had ik er later niet zoveel extra bewijs aan toegevoegd, op deze website zowel als in de Groene Amsterdammer van februari 2026 (link).