Reacties op Ei, foetus, baby
———————————

Allereerst de recente reacties van katholieke zijde op de operatieve doop van ongeborenen

Op 1 december 2025 publiceerde dagblad Trouw een interview met mij over thema’s in mijn boek Ei, foetus, baby (p1, link en p.2, link. Daarbij kwam ook even een onderwerp ter sprake, waarover ik in interviews en lezingen meestal maar zwijg omdat het zo akelig is.

Het gaat echter wel om de historische achtergrond van de hedendaagse omgang met vrouwen, en al helemaal van de huidige abortuswet.

En ook de ontkennende reacties van katholieke zijde geven aanleiding tot de nadere toelichting hieronder. Deze bevat nog meer controleerbaar (want aanklikbaar) bronnenmateriaal dan mijn boek al geeft.

Ter inleiding volgt nu eerst een aantal voorbeelden van dat uitgebreide bronnenmateriaal. Daarna bespreek ik hoe katholieke autoriteiten daar recentelijk met grove ‘mansplaining’ op reageerden, en wat er tegen hun argumenten in te brengen valt.

1. Een dodelijke doop

Het akelige onderwerp is het opensnijden van zwangere vrouwen voor het dopen van hun ongeboren vrucht. Katholieke geestelijken en soms ook hulpverleners hebben dat tot in de 20ste eeuw gedaan, als zij oordeelden dat de vrucht in levensgevaar was.

De opdracht tot deze bizarre daad stond ook eeuwenlang in de katholieke leerboeken, die alleen toegankelijk waren voor priesters, medici en paramedici. Dat vind je eveneens terug tot in de 20ste eeuw.

Na zo’n ingreep stierf de ongeborene in elk geval. En was de vrouw nog in leven, dan doodde hij ook haar. Daarna werden beiden begraven zonder dat de ware doodsoorzaak ergens werd genoteerd.

Geheimhouding was ook het uitdrukkelijke doel: het Katholiek Verpleegstersboekje door priester P.A. Popma (na W.O.2 herhaaldelijk herdrukt) wijst er bijvoorbeeld op dat wettelijk gezien alleen artsen in levende of dode mensen mogen snijden. Maar, vervolgt het, als katholieke verpleegster kun je ook je eigen geweten volgen.

Een verpleegster heeft daarna wel een zwijgplicht, stelt Popma verder, om te beginnen na een stiekeme nooddoop bij een pasgeborene van niet-katholieke ouders. En zeker bij de operatieve doop moet ze zich ook bewust zijn van ‘het gevaar van gerechtelijke vervolging met alle openbaarmaking daaraan verbonden’.

Verderop beschrijf ik veel meer katholieke literatuur die hulpverleners ertoe aanzette het mes in  zwangere vrouwen te zetten. Katholieke artsen en vroedvrouwen kregen de opdracht ertoe eveneens, en jonge priesterstudenten leerden al helemaal dat dit een heilige plicht was.

Hoe vaak is de opdracht dan daadwerkelijk uitgevoerd? In 1955 is er in protestantse kring ophef over Popma’s boekje ontstaan, nadat protestantse ouders de stiekeme nooddoop van hun pasgeborenen in R.K. ziekenhuizen hadden ontdekt (link). Van verborgen daden blijven de ware getallen echter voor altijd een ‘dark number’, zoals de criminologie dat noemt. Dat geldt bij uitstek voor femicide, en de bizarre vorm van femicide voor de doop, is er al helemaal een voorbeeld van.

Tegelijk waren Popma’s waarschuwingen niet voor niets, ook niet voor het verbergen van het opensnijden van een vrouw. Toen hij het schreef waren daarvan al regelmatig gevallen aan het licht gekomen. Het vroegste dat ik heb kunnen traceren dateert van 1746 en het laatste van 1950. En uit de tussenliggende eeuwen is er nog een hele reeks uitgelekte casus, zoals zal blijken.

Nu volgt een wat uitgebreidere bespreking van drie 19de-eeuwse voorbeelden van zo’n bloederige doop uitgevoerd door een pastoor.  Het eerste dateeert van 1827. Een zwangere vrouw was onwel geworden en haar buurvrouw had het katholieke voorschrift opgevold dat de pastoor dan als eerste hoort te worden gewaarschuwd. Dat leidde tot de slachtpartij, beschreven in het onderstaande krantenknipsel alsof het om de herbeleving van een nachtmerrie gaat:

Fragment uit een langer verslag in de Algemeene Konst- en Letterbode, 1833

De auteur van dit verslag is stadsdokter De Koning uit Zaltbommel, die door de burgemeester naar het betrokken huis in het nabijgelegen Hurwenen was gestuurd. Deze vermeldde er nog bij dat het om ‘de huisvrouw van F. Hoskam’ ging, die hij op 8 augustus 1827 samen met haar dode baby in die afschuwelijke toestand aangetroffen had (link).

Met die gegevens heb ik de vrouw en haar kind in de overlijdensregisters terug kunnen vinden. De 40-jarige Maria van den Heuvel uit Hurwenen blijkt op 8 augustus 1827 te zijn geregistreerd als gewoon ‘overleden’, samen met een ‘doodgeboren’ dochtertje. In hulpeloze hanenpoten is dat ondertekend door Frans Hoskam. Hij heeft zijn uitgesneden baby nog aan de ambtenaren getoond, staat er als miserabel detail bij (link).

Aangifte van het overlijden van Maria van den Heuvel en haar kind. Onderaan Hoskams verklaring dat zijn vrouw ‘is bevallen van een doodgeboren kind van het vrouwelijk geslacht’ met de toevoeging ‘en hebbe het zelve aan ons getoond’.

Dokter de Koning was indertijd de enige niet die zijn schrik en boosheid hierover uitte. Tot in de Curaçaose krant bewees dit geval ‘hoe donker het er nog uitziet in het brein van sommige geestelijken der Roomsch Katholieke kerk’ (link).

Dat zou echter nog een heel lang zo blijven. Niet elk geval zal als gezegd zijn genoteerd, en lang niet alle genoteerde gevallen zullen tegenwoordig toegankelijk zijn. Maar door digitalisering komen er nu wel steeds meer naar het oppervlak.

In 1860 berichtten verschillende kranten over een casus waarop inderdaad een rechtszaak volgde, met daarbij de publieke verontwaardiging waarvoor Popma de katholieke verpleegsters in de jaren 1950 nog waarschuwen zou:

Uit de Utrechtsche Provinciale en Stadscourant van 31-10-1860 (link)

De persoon achter ‘de vrouw van Jannes Korf’ uit het dorpje Lonneker heb ik eveneens in de archieven teruggevonden. Ze heette Janna Sanderink, werd 36 jaar oud, en liet drie eerdere kinderen achter, waarvan de oudste zeven jaar. Het overlijdensregister meldt weer simpelweg ‘overleden’ en ‘bevallen van een kind (…) welk als levenloos wordt aangegeven’ (link).

Met alleen de overlijdensregisters als bron, komen dergelijke overlijdens niet in de cijfers terecht van het aantal vrouwen en ongeborenen dat op deze wijze is vermoord. In Sanderinks geval hebben omstanders er echter meteen een zaak van gemaakt.

Twee weken na het pastorale mesgebruik zijn de rechter, officier, en griffier van de Almelose rechtbank nog naar Lonneker afgereisd om het opgraven van haar lijk bij te wonen. Zij hebben toen haar opengesneden lichaam met het foetuslijkje erin gezien, en pastoor Lambertus Scholten Reimer kreeg een boete van 25 gulden (link). Dat was bij dergelijke zaken relatief veel, zoals uit het derde voorbeeld blijkt.

In 1871 was de ‘huisvrouw van Gerrit Houkes’ uit Empel aan de beurt. Zij was 7 maanden zwanger toen Petrus Franciscus van der Meulen, pastoor uit het naastgelegen dorpje Engelen, met diens scheermes een kruislingse snede door haar buik en baarmoeder maakte:

Uit de Arnhemsche Courant van 23-12-1871 (fragment van link)

Opnieuw heb ik de betrokken vrouw kunnen traceren. Haar naam was Johanna van Wamel en ze was moeder van zes eerdere kinderen (link). Ook in dit geval volgde er een rechtszaak tegen de pastoor, die eveneens in de archieven te vinden is (link).

De machtige katholieke advocaat Emile van Zinnicq Bergmann bracht daarbij naar voren dat de pastoor alleen had ingegrepen, omdat een arts het had geweigerd. Dat een kruislingse snede verbijsterend onprofessioneel en extra gruwelijk is, deed er daarna ook niet meer toe. De katholieke rechter schoffeerde de arts en legde de pastoor 5 gulden boete op.

Waren dat hoge of lage boetes? Eigenlijk was ook 25 gulden bijzonder weinig. Ter vergelijking: voor het beëindigen van een zwangerschap met instemming van de vrouw, werden zij en haar eventuele helpers vanaf 1811 tot het tuchthuis veroordeeld, en hulpverlenende medici plus paramedici tot dwangarbeid (link, artikel 317, p.193). Vanaf 1886 werd dat voor de laatste groep 6 jaar gevangenis plus een blijvend beroepsverbod (link. art 297 en 298, p.77).

Daarbij werd geen uitzondering gemaakt voor hulpverleners die hadden ingegrepen om het leven van de vrouw te redden. Dit terwijl dat relatief veelvuldig nodig was vanwege een infectie van de vrucht, een obstructie van het baringskanaal, of ernstig zwangerschapsbraken.

Ook dat laatste was sinds 1811 wettelijk verboden omdat vertegenwoordigers der katholieke kerk het eenzijdige beheer wilden voeren over elke zwangerschap. Ze wilden de ongeborenen in hun eigen handen krijgen, en hadden het verbod op de levensreddende operatie toen ook al eindeloos beschreven in de priesterhandleidingen waaruit ik verderop citeer.

De zware benaming ‘abortus provocatus’ en de huidige afkorting ‘abortus’ danken we dan ook regelrecht aan het bombastische katholieke Latijn uit dergelijke werken. Midden 19de eeuw gebruikte verder niemand die benaming nog: niet-katholieke medici hadden het over een ‘kunstbewerking’ of ‘mauele operatie’ (link). En het ongedaan maken van een bevruchting op eigen initiatief van de vrouw heette sinds eeuwen  ‘het opwekken van de maandstonden’ door haarzelf, of ‘menstruatie uitlokken’ zoals het tot in de jaren 1970 zou worden genoemd.

Als de vrouw hulp had gekregen bij dat laatste heette dat ‘het doen misvallen van een vrouw’. en de eerste wereldse wetgeving daartegen is  onder katholiek bewind tot stand gebracht: het ging in 1811 om de vertaalde versie van de Franse Code Pénal, die door Napoleon tevens in de Nederlanden was ingevoerd.

Medisch verantwoord redden of helpen van een vrouw vanwege een reëel probleem werd dus vele malen zwaarder bestraft dan haar amateuristisch opensnijden vanwege een fictieve ziel.

 

Al bestond het woord femicide toen nog niet, deze uiterst bloederige vorm daarvan moet kunnen worden aangekaart. En dat moet ook vanwege de angstwekkende dreiging die er gedurende een hele zwangerschap vanuit is gegaan:

Fragment uit het veel herdrukte voorlichtingsboekje voor oa stellen met trouwplannen Over het doopsel in tijden van nood, versie 1938 (link).

Omdat er altijd een risico is op een miskraam betekende dit voortdurende angst dat het ongedoopte kind naar het vagevuur moest, en voor jezelf dat je zou worden opengesneden. Naast ernstige fysieke mishandeling van een aantal vrouwen is een nog grotere groep dus mentale mishandeling aangedaan. Beide trauma’s zullen bovendien transgenerationeel zijn. Van de vrouwen die op deze gruwelijke wijze zijn overleden, kunnen nu ook nog kinderen en kleinkinderen leven, wier bestaan door het schokkende verlies is getekend.

Tenslotte moet het bespreekbaar worden omdat de achterliggende ideeën mensen en vooral vrouwen leed aan zijn blíjven doen. Hun recht op zelfbeschikking en dus hun gevoel van eigenwaarde is aangetast. Daarbij is hun de verplichting aangepraat tot permanente dienstbaarheid aan mannelijke en kerkelijke behoeften. Vooral gehuwde vrouwen waren aldus tot voortdurende zwangerschap verplicht. Daardoor zijn er  in mijn generatie nog veel mensen als ongewenst kind opgegroeid, wat zich levenslang wreekt.

Maar zelfs aankaarten van de wrede vruchtdoop stuit als vanouds op grote verontwaardiging van gezaghebbende katholieke mannen die in de beschreven traditie gevormd zijn. Als hedendaagse ontvanger daarvan gingen velen mij voor.

De tegenwerpingen die ik tegenwoordig nog krijg, zet ik hieronder steeds tussen citatietekens om er vervolgens op te reageren. Daarbij licht ik ook de achterliggende RK-geloofsovertuigingen toe. Zo volgen er nu nog 9 korte paragrafen, zodat het geheel in 10 paragrafen is opgedeeld.

2. “Priesters deden dit nooit – of misschien soms, om voldragen baby’s te redden”

Pastoor Jan-Jaap Van Peperstraten, bekendstaand als ‘de twitterpastoor’, reageerde met een blog op het genoemde Trouw-interview, en bleef er daarna over bezig op Twitter en Bluesky. Volgens hem spreek ik ‘grote woorden’, doe ik ‘de waarheid geweld aan’, en ben ik ‘verdwaald in de mist’. Uiteraard ben ik opgehouden hem te volgen, maar ik kreeg wel nog van hem mee dat mij ‘amateurisme’, ‘sensatiezucht’, ‘zotteklap’ en ‘humorloosheid’ te verwijten valt.

Dat is onbeleefd en ook nog agressief, maar eigenlijk is het nog erger.

 Terwijl katholieke geestelijken vrouwen letterlijk het zwijgen hebben opgelegd, proberen ze dat tot op de dag van vandaag figuurlijk nog te doen.

Het interview in Trouw leidde ook tot een EO radio-uitzending (link). Het idee daarvan was een gesprek met Paul van Geest (hoogleraar kerk- en theologiegeschiedenis) en Anton de Wit (hoofdredacteur van het Katholiek Nieuwsblad). Er ontstond echter geen gesprek, want ook met hen bleef het bij pure mansplaining: deze mannen wisten het gewoon beter, alsof ik geen boek vol bewijsmateriaal voor België en Nederland had geschreven – en alsof daar geen reeks verwijzingen in staat naar werk van andere historici met bewijs uit talloze andere landen.

Volgens hen is dit nooit voorgeschreven en is dus ook niks gebeurd, of hooguit in de 18de eeuw en dan zeker niet vaak, of misschien toch wat vaker maar dat telt dan niet.

Zolang ik niet met harde cijfers kom, maak ik ‘een cruciale methodologische fout’, herhaalde hoogleraar Paul van Geest later nog eens in het Reformatorisch Dagblad (link). In dat geval zou zowat de hele criminologie op die fout zijn gebaseerd, en zou Van Geest zijn eigen historische  vakgebied er totaal op zijn gebaseerd. Ik kom hierop terug in paragraaf 7, die ook alsmaar meer ontdekte gevallen van deze moorddadige doop in het Nederlandse taalgebied presenteert.

Het is dus alsof dergelijke mannen er nog altijd niet aan zijn gewend dat een vrouw wel eens iets beter zou kunnen weten dan zij. Geen van beide heren stelde dus ook maar een enkele vraag. Ze toonden zich ook geen greintje geschokt over wat vrouwen in naam van hun kerk is aangedaan, laat staan dat ze er excuses voor maakten.

De bisschop van Haarlem-Amsterdam, Jan Hendriks, leek eveneens alleen onder de indruk van wat hem zelf nu toch weer wordt aangedaan. Hij herhaalde op zijn website dat mijn boek slechts een 18de-eeuwse werken en gevallen zou bespreken. Ook hij had dat boek dus zelfs niet even doorgebladerd alvorens zijn mening te geven. Alleen al de voorbeelden hierboven zijn 19de-eeuws, en het boek bespreekt ze uit veel meer eeuwen – ook nog uit de tijd waarin mijn eigen grootmoeder en moeder hun zwangerschappen beleefden.

Het ontnemen van de vrucht aan een vrouw is al een ernstige vorm van mannelijke toeeigening, en daar tellen de pogingen tot ontnemen van de geschiedenis nog bij op.

De katholieke zegsmannen stelden in het Reformatorisch Dagblad dat pastoor Van Peperstraten het hele verhaal inmiddels afdoende had weerlegd. Maar die kwam, zoals verteld, niet veel verder dan schelden en jokken. Van belang is in dit verband dat hij ook een ruim 40 jaar oude scriptie aanvoerde als ‘tegenbewijs’.

Die scriptie zou laten zien dat de snijdende pastoors in feite reddende engelen waren. Maar zelfs dit studentenwerkstuk blijkt duidelijk niet door de betweters te zijn gelezen. Met dank voor de tip, zocht ik het werkstuk uiteraard op en las ik het wel. En toen bleek dat het aantal uitgelekte en veroordeelde zaken er juist mee te worden verhoogd.

Over dat laatste dadelijk meer, want nu eerst even de claim dat het werkstuk de snijdende priesters als reddende engelen heeft beschreven. Zij zouden slechts voldragen kinderen uit dode vrouwen hebben geneden. En dat zouden ze ook nog alleen hebbewn gedaan nadat een dokter had geweigerd het te doen. De justitiële veroordelingen waren volgens hen dus hoogst onrechtvaardig.

Dit alles suggereert dat deze altruïstische zielzorgers zelf nog altijd tot de bloederige ingreep bereid zouden zijn. Maar waaróm was dit in de 19de eeuw dan al strafbaar? En waarom weigerden de meeste artsen de ingreep uit te voeren? Vanwaar ook de onthutste verslaggeving in de kranten in plaats van een lofzang op de hulpvaardige pastoors?

a) Het eerste deel van het antwoord is dat ook voldragen ongeborenen zo’n verschrikkelijke situatie alleen kunnen overleven als de keizersnede binnen enkele minuten plaatsvindt, uiterst professioneel is uitgevoerd, en dat ook nog in ideale omstandigheden.

Dat was dus nooit. Was de vrouw inderdaad overleden (maar zie zodadelijk punt c) dan was doorsnijden van haar buik- en baarmoederwand in elk geval een ernstige vorm van lijkschennis. Daar komt nog bij dat het overlijden van haar ongeborene dan vele malen bruter was dan het anders zou zijn geweest.

Het is dus niet voor niets dat artsen – ook de katholieken onder hen – nogal eens weigerden om dit te doen. En het is ook niet voor niets dat alle snijden in levende zowel als dode mensen door niet-artsen met de Begrafeniswet van 1869 wettelijk verboden werd. In de voorafgaande parlementaire debatten over die wet zijn de snijdende pastoors nog als reden ertoe genoemd.

Daarna kon die pastoors gemakkelijker zo’n kleine geldboete worden opgelegd. Dit echter tot blijvende heilige verontwaardiging van henzelf en hun getrouwen, die dus tot op heden blijkt te bestaan.

b) Het tweede deel van het antwoord is dat het lang niet altijd om voldragen zwangerschappen ging.

Verderop beschrijf ik onder andere gevallen uit 1901 en 1950 van drie respectievelijk twee maanden zwangerschap, waarbij deze bloederige doop is uitgevoerd. En ook het priesterblad Nederlandse Katholieke Stemmen jaargang 1917 schrijft hem net zo goed prille zwangerschappen voor (link).

Dat priesters zelfs daar niet voor terugschrokken, blijkt bovendien al uit die ene scriptie die volgens Van Peperstraten zou bewijzen dat de snijdende pastoors heldhaftige baby-redders waren.

Dat werkstuk is rond 1980 geschreven door W.J.P.M. Brand, geboren in Hulst en pastoor te Hulst. De door hem beschreven casus uit de vroege 19de eeuw is die van snijdende collega De Maeyer uit Hontenisse, eveneens gemeente Hulst. Was dit dus letterlijk al een verhaal uit eigen parochie, dat is het ook in overdrachtelijke zin: deze De Maeyer blijkt bepaald niet de reddende engel te zijn geweest die Van Peperstraten nu van hem maakt.

Dit keer blijkt de twitterpastoor meteen naar zijn telefoon te hebben gegrepen bij het vinden van de krantenkop: ‘Pastoor haalde baby met keizersnede’, want dat was de kop boven een artikel in De Provinciale Zeeuwsche Courant over Brands scriptie. Het woord ‘haalde’ is echter al eufemistisch voor een uitsnidjing, en ook in andere opzichten blijkt dat de koppenmaker te braaf of te geschrokken is geweest.

Het verhaal zelf beschrijft pastoor De Maeyer als een recidivist die het bovendien ook op vrouwen met prille zwangerschappen had gemunt. Hij was drie keer op het bloederige mesgebruik betrapt en dat zelfs bij een vrouw met een vrucht van vijf maanden, op welk moment er bepaald nog geen voldragen baby is. De rechter had hem dan ook met een half jaar gevangenisstraf gedreigd als hij een vierde maal zou worden gesnapt.

Uit de Provinciale Zeeuwsche Courant 9-7-1981 (link, twee artikelen op dezelfde pagina)

De keizersnede voor de doop is ook nooit door de katholieke kerk verdedigd, betogen Van Peperstraten c.s. nu, maar alleen al in deze scriptie staat dat de gruwelijke sacramentele ingreep alom in de kerkelijk geschriften werd voorgeschreven (link).

Het- soms met enige spot geschreven – werkstuk blijkt verder nog te vertellen dat sommige pastoors aan ‘voortdurende dronkenschap leden en dat andere ongevraagd de lange haren afknipten van meisjes en vrouwen, zwanger of niet. Pastoor de Maeyer – beschreven als ‘scrupuleus’ en ‘rigoristisch’ – heeft nog bij zijn bisschop aangedrongen op straf voor een dokter die geweigerd had een vrouw voor hem open te snijden. Kon deze voortaan de heilige communie worden ontzegd? Dat was nogal schijnheilig want De Maeyers eigenhandige snijmerk leverde hem ook grote voldoening op: ‘En nu zal ik eeuwige vreugde genieten in de hemel’, jubelde hij volgens Brand eens na zo’n ingreep (in het Latijn uiteraard: ‘Et sic in coelis jam aeternis fruitur gaudiis’) (link).

Op dit moment is echter vooral van belang dat De Maeyer net zo goed bij vroege zwangerschappen toegeslagen heeft. Het motief was dan ook niet het redden van ongeboren kinderen uit overleden vrouwen, zoals Van Peperstraten stelt. Het motief was het dopen van ‘zondige ongeboren zielen’ zoals student Brand en De Provinciale Zeeuwsche Courant het ruim veertig jaar geleden correct hebben verteld (link).

c) Het derde, nóg afschrikwekkender, deel van het antwoord is dat de gedetailleerde vereisten voor een geldige doop het zelfs niet toelieten dat de vrouw overleden was.

3. “Dit werd alleen bij dode vrouwen gedaan”

De tranen schieten je al helemaal in de ogen bij de reactie van Gerard de Korte, bisschop te Den Bosch. Toen het Reformatorisch Dagblad in februari 2026 naar de kwestie informeerde, antwoordde deze achteloos: ‘Voor zover ik weet, is dat verhaal doodgebloed’ (link).

De metafoor had niet wranger gekund, want laten doodbloeden van zwangere vrouwen omwille van de vruchtdoop bestond al heel lang en werd vroeger ook openlijk toegegeven. Onderstaande plaat komt uit het Tractaet (…) over de beruchte keyserssnede in 1773 gepubliceerd door de katholieke arts Petrus van Bavegem (link). Met de opgestoken arm van de vrouw toont de tekenaar dat ze in leven is, evenals onverdoofd waarvoor in die tijd de middelen ook ontbraken:

Uit Petrus van Bavegem, 1773, Tractaet (…) over de beruchte keyserssnede

Van Bavegem was een volgeling van de invloedrijke Jezuïet Francisco Emanuele Cangiamila die, zoals straks nader toegelicht, de regels voor de operatieve doop met pauselijke adhesie wereldwijd heeft verspreid. Volgens zijn boektitel heette de keizersnede ‘berucht’ en dat zou hij tot in de jaren 1940 blijven. Zijn tijdgenoten keerden zich er doorgaans tegen, want dit is nog altijd een erg ingewikkelde operatie, met grote gevaren voor vrouw en kind als hij niet heel deskundig, onder uiterst hygiënische omstandigheden plus met goede antibiotica en anesthesie, wordt uitgevoerd.

Als niet aan al die voorwaarden is voldaan, bloeden de vrouwen uiterst ellendig dood.

Waarom moest het redden van de nieuwe ziel dan per se zó? Dat verhaal begint met de katholieke leerstelling dat er tegelijk met de zaadcel een ziel in de eicel belandt. En die prille ziel is met de erfzonde belast, die voor de dood moest worden weggewassen door een priester. Anders zou hij nooit worden toegelaten tot de hemel en voor eeuwig in het voorgeborchte moeten blijven.

Is dit op zich al wonderlijk genoeg, daar blijft het niet bij: dacht een priester dat een zwangere vrouw zou gaan sterven of alleen haar vrucht, dan viel de nieuwe ziel, hoewel onsterfelijk geacht, alleen via het sterfelijke lichaampje te redden – en dit ook nog alleen op voorwaarde dat dit lichaampje tijdens de doop nog in leven was.

En de voorschriften voor een geldige doop waren nóg merkwaardiger: je zou denken dat ongeboren lichaampjes zich al in vruchtwater bevinden, dat net zo goed door God geschapen is. Maar het ritueel moest beslist met ander water gebeuren. De handleidingen bepalen dat kraan-, smelt-, put-, sloot-, of rivierwater geschikt is, of wat voor water dan ook, maar het vruchtwater noemen ze nooit.

Daar kwam tenslotte nog bij dat zo’n doop alleen geldig heette als dat water rechtstreeks op het levende blote hoofdje was beland, waarin de ziel zich zou bevinden.

Zeiden de geestelijken ‘rechtstreeks op het hoofdje dopen’ dan bedoelden ze rechtstreeks op het hoofdje dopen. Niet alleen de buik- en baarmoederwand van de vrouw moest ervoor open. Het priestertijdschrift Nederlandse Katholieke Stemmen publiceerde in de 20ste eeuw ook nog lange theologische verhandelingen over de vraag of de vliezen rond de vrucht onderdeel dáárvan zijn, of helaas toch van de vrouw. Met veel Latijnse terminologie delibereerden de auteurs daarbij over verschillende soorten vliezen, om steevast tot de slotsom te komen dat alle vliezen tot de vrouw behoren. Werd daarop gedoopt dan zou de zondige prenatale ziel alsnog voorgoed in het voorgeborchte belanden. Dus moest de priester ook de vliezen stukmaken, waarvoor eveneens instructies werden bedacht (voor een voorbeeld van zo’n tekst zie onder deze link).

Tja, en dan loopt ook dat vruchtwater weg. Net zoals een geboren baby moest een embryo of foetus, kortom, levend en blootshoofds in handen van een priester komen, en dat bij zelfs de prilste zwangerschap. Alleen zo leek de doop van ongeborenen voldoende op die van pasgeborenen die langs natuurlijke weg ter wereld zijn gekomen, met eveneens een zondige ziel.

Dit stelsel van vergezochte bedenksels laat slechts de conclusie toe dat het om pure machtsuitoefening ging.

Embryo’s en foetussen zijn geen baby’s of kinderen, want ze zijn innig verbonden met het lichaam van de vrouw waarin ze langzaam tot ontwikkeling komen. Vrouw en vrucht vormen anders gezegd een fysieke eenheid. Ze overlijden dus tegelijkertijd, of hooguit enkele minuten na elkaar, net zoals organen het eerst uitvallen of dat vrijwel direct na iemands overlijden doen.

Constateerde een pastoor levensgevaar voor de vrouw of soms voor alleen haar vrucht dan was er dus grote haast geboden. Dit terwijl de dood uitermate moeilijk vast te stellen is, en dus zowel deskundigheid vraagt als tijd.

Hoewel er grondige internationale geschiedschrijving is van de katholieke keizersnede, neemt nogal wat oppervlakkig historische literatuur de katholieke terminologie ‘post mortem keizersnede’ domweg over. Zo lijkt er niet zoveel aan de hand te zijn geweest, maar de waarschuwingen voor snijden in schijndode vrouwen dateren van lang geleden.

Zo is er het verhaal van de Parijse chirurgijn uit 1649 die een op straat flauwgevallen zwangere vrouw had geopen. Hij had geen adem gezien op een spiegeltje voor haar mond en haar hart niet voelen kloppen, maar vlak nadat hij zijn mes in haar lichaam had gezet was er een tandknarsen te horen geweest en had hij haar lippen zien bewegen. Nooit meer zou hij zich ‘zo gedwee in de luren laten leggen door mensen met verkeerd begrepen liefdadigheid’.

Ook in de Lessen over de verloskunde, een veel herdrukt boek voor vroedvrouwen uit 1854, waarschuwde de Vlaamse dokter Alexis Lados voor ‘de overdreven ijver bij het doen der keizersnede’ die ‘de moeder van de schijndood tot de ware dood deed overgaan’ (link, p.333-334).En in 1921 zou cardioloog Adriaan Kortweg die waarschuwing nog weer moeten herhalen in verband met de doop van ongeborenen (link).

Daar komt de katholieke reactie hierop nog bij dat het ook niet nodig is te wachten tot de vrouw is overleden, want dan loop je teveel risico op een ongeldige doop. Ook wat dit aangaat is de boven besproken scriptie van Brand informatief. Deze stelt dat de snijgrage pastoor De Maeyer krachtig onder leiding stond van Monseigneur Joannes van Hooydonk, bisschop van Breda en die blijkt een eigen handleiding voor de doop te hebben geschreven.

Ook dat boek uit 1834 bleek terug te vinden. Het vermeldt dat de vrouw niet dood hoeft te zijn en dat een hulpverlener een zware zonde op zijn naam krijgt te staan als hij het mes niet tijdig hanteert. Beter te haastig gesneden dan een nieuwe ziel gemist:

Uit J. van Hooydonk, 1834, Onderrigt over de bediening van H. Sacrament des Doopsels (link)

Zo mogelijk nog explicieter is een heel hoofdstuk onder de titel ‘Over de keizersnede op een levende vrouw’ (De L’opération césarienne sur la femme vivante). Die stamt uit het gezaghebbende priesterhandboek Embryologie Sacrée, in 1865 gepubliceerd door de Franse priester-arts Pierre J.C. Debreyne en uitgegeven in Brussel (link).

Een goede vrouw zal haar eigen aardse leven vast wel willen opofferen voor het hemelse voortbestaan van haar kind, onderwees Debreyne. Vertel haar maar dat de pijn best meevalt, maar besef tegelijk dat de verplichte operatie ook weer niet met élke vrouw te bespreken valt. Want ‘mogelijk schiet haar vroomheid en intelligentie daarvoor tekort’. Het boek voert voorbeelden op zoals dat van een 13-jarig en 17-jarig zwanger meisje, en zeker bij een buitenbaarmoederlijke zwangerschap moet een priester op tijd het mes hanteren.

Van kort daarna dateert een volgend bekend geworden geval in Vlaanderen. Ditmaal van een 17-jarige zwangere wier vader zowel de dokter als de pastoor had laten roepen, waarna de pastoor als eerste was gearriveerd (link). Uit dezelfde tijd stamt het Belgische voorbeeld van de vrouw met een zwangerschap van 4 maanden, die door een onderpastoor met diens keukenmes was behandeld. Ook in haar geval was er woede in de pers, en volgde er een opgraving onder het oog van de voltallige rechtbank:

De Toekomst, 13 oktober 1867 (link)

Vanaf 1869 bepaalde de Nederlandse Begrafeniswet dat het vaststellen van een overlijden alleen nog aan artsen is toegestaan, en dat er ook daarna nog tenminste 36 uur met begraven of cremeren moet worden gewacht. En naar aanleiding van een pastorale keizersnede in het dorpje Clinge, eveneens bij Hulst, is daarbij tevens vastgelegd dat ook een lijkopening aan artsen voorbehouden moest zijn (link, zoekterm Clinge). Dit om zeker te stellen dat een ‘lijkopening’ alleen plaatsvindt op een lijk, zoals het Zeeuwse Kamerlid Willem de Brauw het voorstel hiertoe heeft verdedigd (link, zoekterm Brauw).

Die pastoors volgden echter hogere wetten. Ook na 1869 bleven ze embryo’s en foetussen uit het lichaam van vrouwen roven. Ze zochten hooguit wat vaker de medewerking van een volgzame arts, zodat zij zichzelf konden beperken tot het dopen.

Zo bestond deze praktijk voort tot ver in de 20ste eeuw. En het bleef van het toeval afhangen of er soms een geval aan het licht kwam. Deze beschrijving uit de Groene Amsterdammer van 1950 (link) is daar een voorbeeld van:

De verbijstering van de dokter die hier rapporteert laat zien dat toen nog steeds nauwelijks bekend was wat al zo lang achter de schermen werd gedaan. Het is onjuist dat men er pas midden 20ste eeuw ‘met messen op af’ ging, zoals deze rapporterende arts dacht.

Hij zat er ook naast met zijn stelling dat de ‘doopspuit’ alleen in de middeleeuwen werd gebruikt. Die spuit was vanaf de 17de eeuw in gebruik en even vooruitlopend op het verhaal: 20ste-eeuwse leerboeken voor katholieke verpleegkundigen vertelden nog hoe hij in de baarmoeder moest worden gevoerd, wat niet eens zal zijn gelukt als deze nog strak gesloten was. Dit ondanks dat al eeuwen bekend was hoe pijnlijk de pogingen ertoe waren voor een vrouw, en ondanks waarschuwingen van tijdgenoten voor dodelijke infecties die door vreemde voorwerpen in de baarmoeder kunnen ontstaan.

Pas in de jaren 1970 zou de katholieke kerk een klein beetje afstand gaan nemen van ‘de foetus-doop’. Het Nederlandse Episcopaat liet toen weten: ‘Beëindiging van deze praktijk zal voorzichtig bestudeerd en bevorderd moeten worden’. Dat die praktijk bestond was wat breder bekend geworden in het kader van het toenmalige streven naar ‘wederzijdse dooperkenning’ met andere kerken. Daarbij had de Hervormde Kerk als voorwaarde gesteld dat de hele nooddoop dan uit de katholieke voorschriften moest worden geschrapt (link).

Straks vertel ik over pausen en prominente vertegenwoordigers daarvan die de operatieve doop van ongeborenen door de eeuwen heen hebben voorgeschreven. En ik laat zien hoe de regels ervoor in medische leerboeken zijn uitgewerkt.

Nu volgt echter eerst een intermezzo, want deze vorm van femicide was onderdeel van een breder denkpatroon over de dienstbaarheid van de vrouw in een door mannen geregeerde wereld.

4. Intermezzo: een kwestie van eigendomsbeheer

In de getoonde krantenknipsels hadden de vrouwen geen eigen naam, maar heetten zij ‘de huisvrouw van X’. Dat alleen al drukt uit dat kinderverzorging lange tijd als het primaire nut van vrouwen gold. Ze kregen geen scholing, mochten geen eigen inkomen verdienen, niet stemmen, enzovoort, zodat ze in feite vooral moeders en baarmoeders waren.

Ik schreef ‘kinderverzorging’ en niet het produceren van kinderen, want eeuwenlang dacht men zelfs dat de kinderen louter door mannen worden geproduceerd. Met de eerste microscopen zágen de geleerde mannen zelfs dat de complete baby’s zich al in de zaadcellen bevinden. Antoni van Leeuwenhoek had dat bijvoorbeeld zelf door zijn lenzen waargenomen en diens tijdgenoot Nicolaas Hartsoeker eveneens.

De laatste publiceerde in 1694 deze afbeelding van een zaadcel met daarin een kindje. Dat was in een Franstalig boek, maar in 1699 kwam deze vertaling in het Nederlands uit. De staart van de zaadcel was ook van groot belang want die wordt straks de navelstreng, wist Hartsoeker te vertellen. Het ‘ei der vrouwe’ daarentegen wordt slechts de moederkoek (link).

De vindingrijkheid van deze wetenschappers verdient nog steeds bewondering, maar tegelijk is het belangrijk stil te staan bij het toenmalige beeld van het nut van vrouwen dat ze hielpen bevestigen. Volgens dat beeld bracht een man zijn kindje dus tijdelijk onder bij een vrouw, totdat het voldoende was gegroeid om de benauwde plek daarbinnen weer te kunnen verlaten – of zoals Hartsoeker ook dit plastisch zei – totdat het kind ‘beide zyne voeten teegen de Moederkoek afzet’ en zich ‘uit zyne gevangenis tracht te dryven in de ruime lucht’.

De vrouw als een soort gevangenisbewaarder, zeg maar, of anders een hospita – met een koek. De woorden ‘moeder’, ‘baarmoeder’, en ‘moederkoek’ verwijzen etymologisch gezien ook allemaal naar ‘doen groeien’ en ‘groter laten worden’. In alle opzichten was de man de verschaffer van het kindje dat via de staart van diens zaadcel een lijntje met hem onderhield.

Vanuit mannelijk perspectief was het ontnemen van een ongeborene aan een vrouw zelfs geen toeeigening, maar gewoon van eigendomsbeheer.

Het denken in termen van eigendom zie je in verhandelingen over de operatieve doop soms ook zelfs letterlijk terug. Neem het al even genoemde hoofdstuk ‘Over de keizersnede op een levende vrouw’ door de 19de-eeuwse geestelijke en medicus Debreyne (link). Deze priesterhandleiding uit 1865 vertelde erbij dat een zielzorger via diens mes de geestelijke vader wordt die het kind uit die ‘benauwde gevangenis’ bevrijdt. De priester wordt zelfs ‘de vervangende moeder’,  want hij is dan degene die het ‘op de wereld heeft gezet’ (link).

Daarna zal dat kind blijvende liefde voor deze weldoener koesteren. De betrokken passage besluit met: ‘Als het kind enige tijd na de doop sterft, wat vrij gebruikelijk is, wordt het voor de priester onmiddellijk een machtige beschermer in de hemel, die onophoudelijk voor hem bij God zal bemiddelen. Welk een reden tot vreugde, troost en hoop dus voor u, oh hulpverlener en trouwe dienaar van God’ (link, p.338).

Dit soort ideeën laten nog hun sporen na, want nog altijd vergeten velen dat zwangerschap een ontwikkelingsproces is, doorgemaakt door een vrouw. Vanaf de bevruchting projecteert men een volledig kind of nieuwe ziel in haar lichaam. En over een kind of ziel hebben anderen altijd medezeggenschap.

En die extra ziel is zelfs met succes tot het exclusieve domein van zielzorgers verklaard. Via deze overtuigingen kregen priesters al helemaal grote zeggenschap over de vrucht en daarmee de vrouw, zodat vrouwen zelf hun gezag over hun eigen lijf en daarmee hun leven verloren.

En moest de nieuwe ziel worden gedoopt dan verloren de vrouwen hun leven dus voorgoed. Dat echter in díe volgorde en niet andersom, zoals nu tegengeworpen wordt.

De hedendaagse ontkenningen hiervan naar buiten toe staan in schril contrast met de vroegere volslagen openheid hierover in eigen kring.

In de komende paragraaf 5 volgt nog wat meer over Debreynes keizersnede op een levende vrouw, en meer over het voorschrift dat de vrouw liever niet tevoren al dood moest zijn. Maar vooral weerlegt deze paragraaf de hedendaagse repliek dat dit nooit door de officiële katholieke kerk voorgeschreven zou zijn. Vanaf het begin is het daarbij ook om de meest prille zwangerschappen gegaan.

Daarna gaat paragraaf 6 in op een reeks medische leerboeken die de voorschriften voor de prenatale doop hebben doorgegeven. Ook daarvan wordt het bestaan door hedendaagse RK vertegenwoordigers ontkend. De zesde paragraaf laat verder zien dat de regels in die boeken ook steeds verder werden uitgebreid. Wat moest er bijvoorbeeld gebeuren met een zieke vrouw die mógelijk zwanger kon zijn? En hoe moesten 20ste-eeuwse vrouwen in katholieke ziekenhuizen op de operatieve doop worden voorbereid toen deze door medische vooruitgang niet meer dodelijk was?

Paragraaf 7 gaat in op de stelling dat de opdracht tot het gewelddadige dopen misschien wel is gegeven, maar dan toch zelden is uitgevoerd. Is iets volgens het katholieke geloof dus alleen maar kwalijk voor zover je erop bent betrapt? Dat de opdracht zelden is uitgevoerd, is hierboven ook al onjuist gebleken en verderop komen nog meer opgedoken gevallen aan het licht. Paragraaf 7 bespreekt ook meer voorbeelden van recidivisten onder de pastoors.

In paragraaf 8 komt de tegenwerping aan bod dat dit alleen vanuit hedendaagse normen te veroordelen valt, wat inhoudt dat het dus niet eerder in de geschiedenis op protesten heeft gestuit. Uit de bovenstaande krantenknipsels evenals de invoering van de Begrafeniswet blijkt al dat dit onjuist is, maar paragraaf 8 beschrijft heel veel uitingen van ontzetting en woede erover vanaf de 17de eeuw.

Ook voeg ik een paragraaf 9 toe die laat zien dat – opnieuw anders dan tegengeworpen – de vrucht op veel meer manieren boven de vrouw wordt gesteld, en dat tot op de dag van vandaag.

Het geheel eindigt met een korte paragraaf 10 over de vraag hoe dit anders moet en kan. Maar nu volgt dus eerst het bewijs dat de opdracht tot de prenatale doop wel degelijk van de officiële katholieke kerk is uitgegaan.

5. “Dit was niet de leer der katholieke kerk”

Vertegenwoordigers van de katholieke kerk stelden tijdens het EO-radioprogramma Dit is de dag (link) ook nog dat de prenatale doop met al zijn regels nooit tot de officiële voorschriften van de katholieke kerk heeft behoord. Opnieuw vraag je je af of ze inderdaad ontzettend slecht over hun eigen geschiedenis zijn geïnformeerd dan wel heel bewust onwaarheid spreken.

De 13de-eeuwse Summa Theologica door Thomas van Aquino bespreekt het dopen van ongeborenen al (link). Uit dit nog altijd gezaghebbende werk blijkt bovendien dat deze praktijk toen al eeuwen bestond. Aquino verwijst bijvoorbeeld naar kerkvader Augustinus die het er in de 5de eeuw al over had.

Aquino verwerpt de praktijk uit zijn eigen tijd om zieke zwangere vrouwen levend te openen, maar stelt dat het wel moest zodra ze waren overleden. En dat botste zoals boven beschreven met de eis dat de vrucht nog moest leven voor een geldige doop. Door de grote haast komt het erop neer dat er niet echt op de dood van de vrouw kan worden gewacht.

In 1615 kwam de toenmalige paus Paulus ook met het priesterhandboek Rituale Romanum (link). Vertaald uit het Latijn herhaalde dit werk: ‘als de zwangere moeder sterft, moet de ongeborene zo snel mogelijk en voorzichtig worden geëxtraheerd en indien nog in leven worden gedoopt’. Het deed er ook niet echt toe of de vrouwen katholiek waren of niet, want andersgelovigen kregen zo mogelijk een snelle ‘nooddoop’ bij levensgevaar.

Met voorwoord van de paus kwam er een zakboekversie voor afgezanten die het sacrament der doop in ‘remota & pericolosa loca’ (gevaarlijke afgelegen gebieden) moesten gaan verspreiden. Ook de prenatale doop kwam hierin voor, en verschillende historici hebben gedocumenteerd dat de instructie ertoe wereldwijd is opgevolgd.

Ik beperk me echter tot de Nederlanden waar zo’n zakboek in 1627 te Antwerpen werd uitgegeven (link). En in 1697 publiceerde Guilielmus Bassery, bisschop te Brugge, de eerste mij bekende Nederlandstalige verhandeling over ‘het Sacrament des Doopsels (…) aende kleyne kinders in den noodt’ (link), met daarin opnieuw de opdracht tot uitsnijden van ongeborenen als ‘een moeder bevrucht zijnde alsoo kwame te sterven’.

Dit was dus de tijd van Hartsoeker en Van Leeuwenhoek. Terwijl Bassery sprak van de ‘kleine kinderen in nood’, werd dat later zelfs ‘kinderen die in de uterus opgesloten zijn’ (‘bambini racchiusi nell’utero’). Zo staat het in de ondertitel van het boek Embryologia Sacra uit 1745 (link).

Auteur van de Embryologia Sacra was de Italiaanse Jezuïet Francesco Emanuele Cangiamila. Hij was er open over dat zekerheid over een geldige doop niet kon wachten op zekerheid over de dood van de vrouw, en hij schreef die doop bij zelfs het prilste embryo voor.

Twintig jaar na de Italiaanse versie volgde een vertaling in het Latijn, die het werk voor priesters in alle landen vanaf 1764 toegankelijk en beschikbaar maakte (link). Deze uitgave ging gepaard met een aanbeveling door de toenmalige paus Benedictus XIV die Cangiamila’s ‘eruditie’ prees en stelde dat het werk door niemand onderschat mag worden. Met die vertaling ging het toen al helemaal tot de standaardwerken voor katholieke zielzorgers horen.

Na dat invloedrijke boek was er geen houden meer aan. Met ijzeren logica zou de ene regel steeds de volgende gaan uitlokken, en dat gedurende ongeveer twee eeuwen, verbijsterend genoeg zonder enig oog voor het enorme leed dat erdoor werd aangericht.

Het lijvige werk werd ook in meer talen vertaald. Tegen het einde van de 18de eeuw kwamen er bovendien verkorte versies voor gewonere mensen uit. Vooral voor vroedvrouwen en vroedmeesters beschreven Cangiamila’s Nederlandstalige boekjes ‘de pligten wegens de kinderen die nog niet geboren zijn’.

Twee Nederlandstalige verkorte versies van de Embryologia Sacra (link en link)

Er waren geen plichten jegens de vrouwen die jaren geleden waren geboren en vaak al moeders van een reeks eerdere kinderen waren. De boekjes moesten in de tas met instrumenten mee op huisbezoek, want het uitvoeren van de doop was aan nog veel meer regels gebonden. Er waren voorschriften voor al dan niet toegestaan doopwater en de juiste doopformules bij ieder specifiek geval, bijvoorbeeld afhankelijk van de vraag of een ongeborene één hoofd had of twee.

De door de paus goedgekeurde Embryologia Sacra schreef ook voor dat men liever honderd vrouwen ten onrechte moest openen dan ook maar één ongeborene per ongeluk naar het vagevuur te sturen (link naar pagina 123).

De zwangere vrouwen moesten zo nodig bij bewustzijn op hun ‘schikkelijke doorgang’ naar het hiernamaals worden voorbereid. Buiten hun blikveld hoorde er dan al iemand klaar te staan met het mes. Koud doopwater moest intussen wel lauw worden gemaakt, want een blootgelegde nieuwe ziel mocht niet teveel schrik worden aangejaagd (link naar p.71).

Het had geen zin om met snijden te wachten totdat de vrouw echt dood was, lichten zelfs die korte Nederlandstalige boekjes toe. Want zekerheid daarover heb je pas bij ‘verrotting’. Het stoppen van haar pols en ademhaling was bijvoorbeeld onvoldoende bewijs, en hetzelfde gold voor het uitblijven van reactie op insnijden van haar voetzolen (link naar p.80).

Dat liet dan tenminste de voetzolen van de vrouwen heel. Verder moest de snede door de buik en baarmoederwand op kruislings worden gemaakt, en daarna moest er tot in de blaas naar meerlingen met zondige zielen worden gezocht. Je ziet het bloederige gerommel voor je.

Cangiamila raadde daar dan ook het inschakelen van een chirurgijn voor aan, zodat de priester zelf alleen het schone werk hoefde te doen. Helaas is zo’n hulpverlener echter niet altijd beschikbaar of bereid, merkte Cangiamila verbolgen op, want ze zijn er vaak te laf en laaghartig voor.

Al vóór Cangiamila weigerden hulpverleners inderdaad al aan dit katholieke voorschrift te voldoen. De empathische katholieke vroedmeester Paul Portal probeerde de opdracht tot de sacramentele keizersnede bijvoorbeeld op allerlei manieren te saboteren. Uitvoerig beschreef hij bijvoorbeeld hoe je heel voorzichtig in de baarmoeder kunt dopen met een spuitje of sponsje. En anders hij kwam hij gewoon te laat:

Uit Paul Portal, 1690, De practyk der vroedmeesters en vroedvrouwen (link)

Het vroegste Nederlandse geval dat ik in de pers heb kunnen vinden dateert van 1724. Bij een ‘kranke vrouw’ met een zwangerschap van 7 maanden bleef de opgeroepen chirurgijn eveneens ’te lang achter’. Toen had de pastoor maar zelf ‘zyn mes uyt de zak’ gehaald. De ‘S Gravenhaegse Courant voegde daar toen nog aan toe dat deze pastorale ‘heldendaad’ hier ‘doorgaens zeer geroemd word’ (link).

Dat was dus in de 18de eeuw, maar eeuwen later zou het argument dat er geen arts beschikbaar was nog altijd door pastoors ter zelfverdediging worden aangevoerd. Die van Hontenisse is er een voorbeeld van, evenals die van Engelen. En Van Peperstraten c.s. kwamen anno 2025 en 2026 zelfs nog met dit excuus.

Met de Italiaanse plaatsnamen erbij turfde Cangiamila de aantallen nieuwe zielen die hij hoogstpersoonlijk met zijn mes voor de hemel had gered. Velen na hem hebben dat als zelfbedrog beschreven omdat de vrouwen dan ofwel niet dood konden zijn geweest, of de uitgesneden foetussen niet levend zijn gedoopt. In elk geval heeft Cangiamila er zeker een aantal in handen gehad, want hoe kwam hij anders tot zijjn afbeelding met exemplaren uit alle stadia van zwangerschap?

Plaat uit de Embryologia Sacra (1745) door Francesco Cangiamila. Ook de kleinste vrucht moest levend worden gedoopt, en Cangiamila claimde er veel eigenhandig te hebben uitgesneden.

Cangiamila’s boek zou niet door Rome zijn goedgekeurd, zeggen de woordvoerders der RK kerk nu, maar er staat toch echt een lange aanbeveling in door de toenmalige paus. Bovendien had Rome ook maatregelen tegen deze Jezuiet kunnen treffen, terwijl de paus hem juist tot lid van de pauselijke inquisitie heeft benoemd.

Dit zou verder het enige werk zijn dat ik heb genoemd, luidt de volgende tegenwerping, die opnieuw overduidelijk onwaar is. In mijn boek staan al veel voorbeelden van de hoogste vertegenwoordigers der katholieke kerk die de instructies voor de doop der ongeborenen nog lang en instemmend hebben verspreid. Dit terwijl daar ook nog nieuwe aan toe te voegen zijn.

Zo’n nieuwe toevoeging is Debreynes eerder genoemde hoofdstuk ‘Over de keizersnede op een levende vrouw’. Dat staat zoals verteld in diens Embryologie Sacrée van 1865, die weer een aanhangsel was bij Debreynes vaak herdrukte priesterhandleiding Moechialogie (Zedenleer). ‘Exclusief voor priesters’ staat op het omslag.

Behalve in Frankrijk was Debreyne in België een buitengewoon belangrijk man, maar ik houd het verder bij Nederlandtalige informatie, die al omvangrijk genoeg is. Een volgend voorbeeld daarvan is de machtige kardinaal-aartsbisschop Engelbertus Sterckx van Mechelen. Met chirurgische precisie lichtte deze in een decreet uit 1851 toe hoe men bij een keizersnede voor de doop te werk moet gaan:

Fragment uit Emmanuel Sterckx, 1851, Onderwyzingen aengaende de manier van de nieuwgebooren kinderen te doopen.

Sterckx sprak medici zoals Alfred Velpeau tegen die zeiden dat vrouw en vrucht vrijwel gelijktijdig sterven. Hun onderzoek zou bij gehospitaliseerde vrouwen van lichte zeden zijn gedaan, terwijl de ongeborenen van nette vrouwen hen nog wel een tijd zouden overleven. Zeker dat laatste soort vrouw zou volgens Sterckx  dus moeten worden opengesneden.

Vroedmeesters en vroedvrouwen die de opdracht niet uitvoerden zouden volgens Sterckx met ‘eenen meulensteen om den hals in de zee geworpen’ moeten worden. Dat zou ‘onzen Goddelyken Zaligmaker’ zelf zou hebben verordonneerd, en wie wel zwangere vrouwen opensneed zou volgens diezelfde Zaligmaker (alias Sterckx) op levenslange ‘zoete voldoening’ kunnen rekenen. Want een nieuwe ziel die dankzij jou in tot de hemel toegelaten was, zal daar vast een goed woordje voor je doen (link naar download, of link, scrol naar beneden).

Per brief maande Sterckx ook ziekenhuizen de keizersnede vaker te gebruiken voor het redden van de ongeboren ziel (link).

Kardinaal Engelbertus Sterckx, plaat van de wikipedia-pagina over hem

Sterckx’ gezag reikte tot ver in Nederland. Diens wikipedia-pagina beschrijft zijn ‘machtige stem’ dan ook nadrukkelijk. Zijn openlijke opdracht tot vermoorden van zwangere vrouwen en verdrinken van hulpverleners blijft daarin echter onvermeld. Wat er wel in staat is dat Rome Sterckx tot diens dood in 1867 zijn hoge functie heeft laten houden (link).

Het effect van Sterckx’ dreiging met die molensteen bleef niet uit, want niet lang hierna stapelden de openbaar geworden gevallen zich op. En soms waren de messentrekkende pastoors de dokters zelfs vóór:

Uit het Utrechtsch Provinciaal en Stedelijk Dagblad, 14-8-1868

Dit zou nooit de officiële leer der katholieke kerk zijn geweest? Bassery, Debreyne en Sterckx spraken dus al namens Rome, en in 1900 plaatste het blad Nederlandse Katholieke Stemmen twee artikelen, met daarboven: ‘Ex S. Congrsg. Suprsm. Officii’, kortom namens de ‘Heilige Stoel’ (link en link).

De titel van die twee artikelen in het Latijn is: ‘De sectione caesarea demortuae’. De auteur was de Jezuïet A.C.M. Schaepman, rector van een Seminarie (priesteropleiding). Ik noem hem alleen om nog eens te laten zien dat het om regels van de officiële katholieke kerk ging, want zijn tekst is weinig origineel. Schaepman betoogde dat ongeborenen de dood van hun moeder wél een tijdje kunnen overleven, verdedigde het uitsnijden tegen de wereldlijke wet als een vorm van ‘liefdadigheid’ en prees Cangiamila uitbundig vanwege diens persoonlijke successen met het mes.

Medisch deskundigen waren er echter heel duidelijk over dat vrouw en vrucht ongeveer gelijktijdig sterven en bij sommige ziekten overleed de vrucht het eerst. In 1901 is zo’n casus uitgebreid in de pers gekomen. Het ging toen om een 3 maanden zwangere vrouw met zo ernstig zwangerschapsbraken dat haar arts geen andere oplossing zag dan het beëindigen van haar zwangerschap. Zou dat niet gebeuren dan zou de jonge foetus als eerste aan ondervoeding sterven en de vrouw kort daarna.

Maar deze vrouw was katholiek, en haar pastoor verbood de ingreep. De verbaasde arts haalde hoogleraar gynaecologie Hector Treub erbij die het eveneens niet begreep want de vrucht zou toch overlijden zoals beiden de vrouw en de pastoor duidelijk maakten. Deze vrouw stond echter sterk onder invloed van haar pastoor en is dus hondsberoerd en uitgemergeld overleden. Pas daarna kwam de aap uit de mouw van ook de verbijsterde Treub: de pastoor claimde dat hij haar levende vrucht hoogstpersoonlijk op het nippertje had uitgesneden en gedoopt.

Als dat waar was, kon de vrouw nog niet dood zijn geweest en is zij dus gestorven door het mes terwijl haar leven gespaard had kunnen worden door het beëindigen van de zwangerschap. Zonder het woord te gebruiken zag Treub dat dit in feite een femicide was geweest.

Hij heeft hierover een publieke discussie aangezwengeld, waarbij hij zich woedend heeft geuit over de religieuze zowel als de wereldlijke wet. De laatste schreef immers 6 jaar gevangenisstraf voor plus een beroepsverbod voor ook een beëindiging wegens levensgevaar voor de vrouw.

Tijdens dat op schrift gestelde debat verdedigde monseigneur T. M. Vlaming – voorzitter van de kerkelijke rechtbank en hoogleraar Katholiek recht – de betrokken pastoor. Er was in Rome over de kwestie ‘vrouw of nieuwe ziel’ besloten, schreef Vlaming. En dat was daar gedaan ‘door mannen van veelzijdige en grondige wetenschap; mannen die (…) over de hun voorgelegde vragen beslissen met besef van verantwoordelijkheid (…); mannen die voor het heil der lijdende menschheid niets minder bezorgd zijn dan wie dan ook’.

Net zoals eerder kardinaal Sterckx presenteerden die mannen zichzelf ook als de uitverkoren woordvoerders van de allerhoogste man: ‘de heerschappij over leven en dood van den nog ongeboren mensch’ behoorde uiteindelijk ‘geheel en uitsluitend aan den waren levenden God’ toe, aldus dit keer Vlaming (link).

Dit komt nog steeds niet van de officiële katholieke kerk? Leg een of meer kussens onder haar lendenen zodat de uterus (baarmoeder) opwaarts komt’, bedacht Monseigneur M. J. A. L. Lans in 1907 nog als handige tip voor de beginners. Vervolgens kwam deze deken van Amsterdam en ‘geheime kamerheer van de paus’, met nog ergere instructies voor het mutileren van de vrouwen dan Sterckx had gedaan (link, p.274-275).

En toen de zielzorgers gingen denken dat een vrouw door medische vooruitgang niet langer aan de keizersnede hoefde te overlijden, werd deze zoals eerder genoemd al helemaal een ‘moederplicht’.

Een geschrift in het Latijn uit 1910 betoogt bijvoorbeeld dat de ingreep ‘niet meer zo afschuwelijk’ is als voorheen. Omdat de vrouwen de operatie mogelijk nog konden navertellen, moesten ze voortaan door priesters van de noodzaak worden overtuigd. Het argument moest daarbij zijn ‘dat de pijn van deze ingreep niet meer zo hevig is, vooral niet wanneer chloroform wordt gebruikt, en dat het bloedverlies niet meer zo immens is’. Medisch gezien pas echt ‘afschuwelijk en zeer wreed’, voegde auteur M. Rath uit het Groot-Seminarie te Haaren daar vilein aan toe, was juist het verwijderen van een foetus nadat die overleden is (link).


Eveneens uit dit Groot-Seminarie kwam de roemruchte
Theologia Moralis door F. P. J. Aertnijs en later bewerkt door C.A. Damen respectievelijk J. Visser. Dit Latijnse boekwerk heeft vele drukken gehad, en werd uitgespeld in alle priesteropleidingen, niet alleen in Nederland maar tot in Polen en op Java (link) terwijl er nu nog altijd versies worden gemaakt in onder andere het Portugees.

De 17de editie van 1956 bespreekt elke denkbare gynaecologische operatie om erbij te vermelden of deze moreel ‘geoorloofd’ is of ‘verboden’. Er is weinig geoorloofd, en onder de categorie ‘verboden’ valt ook het redden van het leven van de vrouw zonder dat haar foetus kan worden gedoopt.  De categorie ‘verplicht’ ontbreekt uiteraard eveneens niet, want die geldt bijvoorbeeld nog altijd voor de doop van de ongeboren vrucht. En verder is het zwangere vrouwen verboden om lang te lopen en hun voeten in koud water te wassen, omdat een miskraam dan je eigen schuld is. Ook ‘zwangere moeders die dansen, overmatig werken, zware lasten tillen of dragen, zich overgeven aan heftige woedeaanvallen of melancholie, of alcohol drinken, lopen risico op een miskraam of schade aan het kind’ (link).

Tenslotte is er nog de Katholieke Moraaltheologie door kloosterling Heribert Jones. Ook die schreef het dopen van ongeborenen tot in tenminste de jaren 50 voor. ‘Om ergernis te vermijden en niet in conflict te komen met de wet’ hoefde een priester toen, althans bij latere zwangerschappen, niet langer persoonlijk het mes te hanteren.

Prominente vertegenwoordigers van de katholieke kerk propageerden de keizersnede voor de doop dus door de eeuwen heen. Was een paus daarover ooit van oordeel veranderd dan had deze zich er ook van kunnen distantiëren.

6. “Dit kwam niet in katholieke medische leerboeken voor”

De doop der ongeboren vrucht kwam ook niet in katholieke leerboeken voor, stelt Van Peperstraten echter verder nog. Werken zoals dat van Cangiamila, Debreyne en Sterckx golden echter als leerboek.

Voor lezers die het nog kunnen verstouwen: katholieke medici beschreven eveneens in hun lesmateriaal hoe de prenatale doop moest worden uitgevoerd.

In de Nederlanden kreeg Cangiamila bijvoorbeeld al vroeg navolging van Petrus van Bavegem, die eerder al even ter sprake kwam. Deze ‘voormalig legerarts voor Zijne Roomsch Keizerlijke Majesteit’ kwam in 1773 met het eerder genoemde ‘Tractaet over de beruchte keyserssnede’ dat als een religieus zowel als medisch werk was bedoeld (link).

Het boek besluit dan ook met een ‘approbatie’ (goedkeuring) door twee vertegenwoordigers der katholieke kerk, zeggend dat de inhoud volledig in overeenstemming is met het katholieke geloof. Zoals eerder de Embryologia Sacra bevat het ook een uitgebreide beschouwing over de onmogelijkheid om de dood goed vast te stellen.

Bij zwangere vrouwen was dat al helemaal moeilijk, voegde de dokter toe, omdat zij aan ‘passio hysterica’ alias ‘moederbezwijming’ konden lijden. Van Bavegem waarschuwde daarnaast dat vrouwen ‘zonder enige suspitie’ (verdenking) zwanger kunnen zijn. Dus moesten alle zieke vrouwen in de vruchtbare leeftijd volgens hem worden opengesneden. Want anders wachtte mogelijke ongeborenen het meest afschrikwekkende lot, te weten dat van een doodsbed in het moederlijf:

De centrale boodschap van Van Bavegem was dat een vrouw kon worden geopend zonder dat ze daaraan dood hoefde te gaan, mits de chirurgijn zo bedreven was als Petrus van Bavegem. Daarom bevat het boek aan het morbide stripverhaal waarvan ik al een plaat liet zien. De volgende legt het moment van de uitname van een grotere foetus vast:


Uit Petrus van Bavegem, 1773, Tractaet (…) over de beruchte keyserssnede 

En de derde plaat laat zien hoe de buik met grove horizontale steken wordt dichtgenaaid. Ze is hier hologig afgebeeld maar ze heft haar rechterhand nog achter het hoofd van de ‘helper’ (de helpers hadden de taak te voorkomen dat de vrouw ‘geweld doet’). Die helper moest daar staan ‘voor zover zij geweld doet’.  Verdoving was er niet, maar ‘de moederliefde vereist dat de vrouw de zaligheid van haar kind boven haar eigen leven stelt.

In zijn latere Verhandeling over het verlossen van koeijen constateerde Van Bavegem nog dat deze dieren veel gemakkelijker te opereren zijn. Zij hebben tenminst geen last van de ‘gemoedsaandoeningen en driften, welke aan het vrouwelijk geslacht zoo eigen zyn’ (link).

Hedendaagse medici bevestigen dat het succes van de toenmalige keizersnedes hooguit van uiterst korte duur kan zijn geweest. Dit is nog altijd een uiterst complexe operatie, waarbij anesthesie niet alleen voor pijnstilling dient. Ook die moet zeer deskundig worden uitgevoerd om de vrouw (of koe, @Van Bavegem) niet tijdens de operatie al in een dodelijke chirurgische shock te doen belanden.

De vrouwen stierven anoniem maar Van Bavegems huidige wikipedia-pagina praat de beroemde geneesheer zelf nog altijd na: ‘Hij was een van de eerste artsen die een keizersnede succesvol uitvoerden’ (link).

Een volgend voorbeeld is het boek Pastorale Geneeskunde door dokter Matthias Vering uit 1841. Bij een zieke vrouw moet je controleren of ‘zij zich in gezegende staat bevindt’, vertelt dit boek. Hij zegt er niet bij hoe (er waren geen zwangerschapstests), maar bij een positieve conclusie moest de dokter verbergen wat hij van plan was. Naar katholieke gewoonte gaat ook dit leerboek bij geheimzinnige zaken over op het Latijn. Ineens lees je: ‘sectio caesarea fit sequenti modo’ (‘een keizersnede doe je zo’). Eveneens in het Latijn volgen er daarna aanwijzingen over de hoek van waaruit zo’n vrouw met het mes moest worden benaderd, de plek waar de snede beginnen moet, en elk detail voor de verdere ingreep (link).

Dat geheel eindigt met: ‘Vulnus denique et abdomen cadaveris ablunatur et connectatur ab advocato chirurgo’ (tenslotte worden de wond en de buik van het lijk [sic] door een getrainde chirurg gewassen en verbonden’) (link).

In 1922 schreef het Maandblad voor Katholieke Vroedvrouwen nog altijd dat ook de vroedvrouw ‘al vreest zij in botsing te komen met de Nederlandsche wet’ een aan haar toevertrouwde zwangere zo nodig moest opensnijden (link).

Een Handboek voor Katholieke Kraamverpleegsters uit 1932 bespreekt de inwendige doop met de ‘doopspuit’ die desnoods door de strak gesloten baarmoeder werd geduwd en waarmee ook de vliezen moesten worden doorbroken. Dat was eveneens erg pijnlijk en inmiddels was overbekend dat dit groot infectiegevaar oplevert. Gynaecologen waarschuwden indertijd dat zo’n spuit dus op zijn minst met gesteriliseerd water moest zijn gevuld. Maar dit handboek door de katholieke gynaecoloog Andreas Ausems houdt de kraamverpleegsters voor dat doopwater met daarin ‘toevallig een weinig melk of benzine’ geen probleem hoeft te zijn (link).

Het aloude idee dat de zaadcel de nieuwe ziel doet verschijnen, is in dit boek in een 20ste-eeuws quasiwetenschappelijk jasje gestoken: de katholieke kraamverpleegsters leerden dat de ziel zich met het pas ontstane lichaampje verenigde op het moment dat ‘de spermatozoïde zich met de eicel vereenigde’.

Dat de keizersnede een minder zware operatie was dan in vroeger tijden leidde nu ook in lesmateriaal tot het voorschrift dat vrouwen ertoe moesten worden overgehaald. Onderstaande fragmenten uit een gratis voorlichtingsboekje Over het doopsel in tijden van nood uit 1938 spreken voor zich:

Fragmenten uit het voorlichtingsboekje Over het doopsel in tijden van nood uit 1938 (link).

Elke zwangere vrouw heette meteen een ‘moeder’, en dat betekende eerder minder rechten dan meer. Zelfs niet-zieke vrouwen die een miskraam voelden aankomen, moesten zelf zorgen voor een doop.

En die met een doopspuit werd van inferieure kwaliteit geacht. Een keizersnede was weliswaar iets veiliger in die tijd, maar moest nog steeds met weinig effectieve pijnstilling worden ondergaan, terwijl er een groot infectiegevaar was, en een relatief groot risico op weer opengaan van het litteken. Desondanks zijn er ruim 31.000 exemplaren van dit boekje verspreid.

Dat was in de tijd dat mijn katholieke oma haar grote kinderschare baarde, en dat de dochter die mijn moeder zou worden een tiener was. Al was het in de jaren daarna nog steeds wettelijk verboden, toen mijn moeder in 1947 voor het eerst in verwachting was, schreven ook leerboeken voor verpleegkundigen nog altijd de wrede doop van ongeborenen voor:

Uit Godsdienstleer voor katholieke verplegenden, 1947

Vanwege de tegenwerping dat dit ‘nooit door katholieke leerboeken’ zou zijn voorgeschreven, meld ik de volledige titel van dit laatste boek door pastoor H. Bless er maar even bij: Godsdienstleer voor katholieke verplegenden, Overeenkomstig de richtlijnen van het Hoogwaardig Episcopaat met begeleidend schrijven van Z. Em. Johannes Kardinaal de Jong (link).

7. “De opdracht is zelden uitgevoerd, en dit hele verhaal is dus niet relevant”

Tot nu toe heb ik laten zien dat 1) de buiksnede voor een doop niet alleen bij voldragen zwangerschappen plaatsvond en dat 2) deze ingreep niet alleen bij dode vrouwen is uitgevoerd maar wel een uiterst bloederige dood betekende, terwijl hij 3) werd voorgeschreven door officiële katholieke autoriteiten en 4) hun opdracht in lesmateriaal voor niet alleen priesters maar ook dokters, vroedvrouwen en verpleegkundigen werd verspreid.

Eind 2025 en begin 2026 waren de contradictoire reacties echter dat de doop van ongeborenen niet heeft bestaan en zelden in praktijk is gebracht.

Nadat zijn blog was tegengesproken twitterde Van Peperstraten bijvoorbeeld dat er – bij diens nadere inzien – ‘slechts’ vijf bewezen gevallen’ zouden zijn geweest. Daarbij vergat hij zelfs de 3 gevallen die hij er per ongeluk aan toegevoegd had. En tijdens de genoemde EO-radioprogramma Dit is de dag (link) wilde ook de vertegenwoordiger der kerk en wetenschap Paul van Geest er alleen waarde aan hechten als met tellingen zou worden aangetoond dat het héél vaak is gebeurd. Dat het vaak is gebeurd, heb ik en hebben andere historici al aangetoond, en de absolute getallen zullen dus nooit kenbaar zijn.

Is iets volgens het katholieke geloof ook alleen laakbaar voor zover je erop bent betrapt? En ook nog alleen als je er heel vaak op bent betrapt?

Stel dat de opdracht tot verkrachting in de katholieke voorschriften had gestaan, was dat dan niet extra schokkend geweest naast de aantallen keren dat die daad aan het licht is gebracht? Kan dit ook alleen bij ‘voldoende’ aantoonbare gevallen worden veroordeeld? Hoeveel is dan voldoende?

Anders gezegd: als Andrew Tate schrijft dat je vrouwen moet verkrachten en als hij dat ook een bewezen aantal keren heeft gedaan, moet een veroordeling dan afhangen van bewijs dat hij het nog veel vaker heeft gedaan?

De getalsmatige bewijslast ligt niet bij degenen die overduidelijk aantonen dat iets regelmatig is gedaan. Die ligt bij degenen die cijfermatig willen bewijzen dat het slechts weinig is gedaan.

Ook dat zal trouwens niet lukken. Ter nadere toelichting: in mijn eigen katholieke familie is in 1917 een zwangere maar niet zieke vrouw door haar huisarts naar een katholieke vrouwenkliniek in Leiden gestuurd. Dat was tot ieders verbazing want Cornelia was niet ziek en het betekende een hele reis voor haar zelf en haar 10 jaar jongere zusje Lena dat haar vergezelde. Toen Lena alweer thuis was, kwam er ineens een telegram meldend dat de familie naar de kliniek moest komen. Tot intens verdriet van iedereen bleek Cornelia daar te zijn overleden. Ze liet 7 eerdere kinderen achter en de 26-jarige Lena, ongetrouwd omdat ze voor haar demente moeder zorgde, heeft die kleintjes toen alleen en in grote armoede grootgebracht. Tegen haar 40ste zou ze zelf pas trouwen en daarna één eigen dochtertje krijgen, dat zelf 8 kinderen van mijn generatie heeft voortgebracht.

Op hoge leeftijd heeft oma Lena haar veelbewogen levensverhaal op schrift gezet en het hoort uiteraard tot de vaste familie-verhalen. Maar pas vele jaren later, door het werken aan mijn boek, ging er bij mij een lichtje op. Waarom heeft Cornelia’s katholieke huisarts haar ineens naar dat verre ziekenhuis gestuurd? Zou hij iets aan de harttonen van haar nieuwe vrucht hebben gehoord? Ze bleek ook eerder al twee miskramen te hebben gehad. Hebben die de dokter extra alert op de katholieke voorschriften gemaakt?

Of heeft mijn boek me te achterdochtig gemaakt? We zullen het nooit weten, want in het ziekenhuisarchief bleek Cornelia niet terug te vinden en het nagetrokken overlijdensregister zwijgt eveneens als het graf.

Dus kennen we slechts de bewezen gevallen die indertijd door moedige buurvrouwen, artsen en journalisten zijn aangekaart. Het was de bedoeling dat het ritueel zich geheel achter gesloten deuren voltrok, zodat de vrouwen probleemloos als gewoon gestorven konden worden ingeboekt. Dit moet vaak zijn gelukt, zoals alleen al valt af te leiden uit de gevallen waarbij dat het mislukte, en daar zijn er nog meer van.

Voor de lezer die nu nog niet overtuigd is: pastoor Joors uit Schinveld stond erom bekend dat hij zijn mes vaker in het lichaam van zwangere vrouwen plaatste. Tenminste 4 gevallen zijn door boze dorpsbewoners op schrift gesteld. Later is uitgekomen dat Joors een daarvan ook in zijn dagboek heeft genoteerd. Dat was geschreven in het Latijn, maar in vertaling staat er: ‘Op 14 januari (1857) overleed Maria Gertrudis Palant, de vrouw van J. L. Bruykers, plotseling aan een zenuwinzinking. Ze was zes maanden zwanger. Omdat er geen chirurg of vroedvrouw aanwezig was, voerde ik een keizersnede uit. Het meisje, dat door mij gedoopt was, overleed kort daarna’ (link).

Misschien moet ik er opnieuw aan herinneren dat pastoors helemaal in staat noch  gerechtigd waren om de dood vast te stellen, noch om een lijkopening te doen, en dat het hier duidelijk niet om het redden van een levensvatbaar kind ging.

Palants man heette verder Breukers en niet Bruykers en de datum was 2 maanden later, maar ook Maria Palants dood bleek in de overlijdensregisters te zijn opgenomen.

Dat geldt eveneens voor die van vijf maanden zwangere Elisabeth Snel die op 14 december 1857 als overleden is geregistreerd, samen met een ‘levenloos geboren dochter’. Ook zij is door pastoor Joors vermoord, die dat op meer manieren probeerde te verhullen. Na het extra bloederige geval van Elisabeth Snel heeft hij de geschokte echtgenoot bijvoorbeeld opgedragen meteen een kist te timmeren waarin diens vermoorde vrouw en foetus ook direct moesten worden begraven.

Volgens een tweet van Van Peperstraten heeft Joors in het eerste geval niets verkeerds gedaan en zou er over de andere zaken niets terug te vinden zijn. Daarmee negeerde hij mijn bewijsvoering in een reeks noten bij mijn boek, inclusief de links waarmee iedereen met een muisklik naar de oorspronkelijke bronnen kan gaan (noot 71 t/m 78, p.357-358; het notenbestand is beschikbaar op de website van uitgever Atlas Contact, link, zowel als die van mijzelf, link).

Later vond ik er nog een extra krantenartikel over (link) en op basis van nieuwe aantekeningen zou het Vrijmetselaarsblad L’Union Fraternelle 30 jaar later nog eens uitvoerig aandacht vragen voor de Schinveldse zaak (link). Maar ook dat bleef zonder vervolg.

En zo gaan de voorbeelden van geheimhouding uit het verleden ook tegenwoordig nog door. Bekend was bijvoorbeeld dat je van cholera kunt herstellen nadat je er dood hebt uitgezien. Maar in een ziekenhuis bij (nu in) Brussel werden de zwangere cholerapatiënten in een achterafzaaltje gelegd. Geneeskunde-student Armand de Vos die deze ‘buitengemeene kraamplaats’ jaren later onder pseudoniem zou beschrijven, bekende dat hem zelf werd bevolen de ingreep uit te voeren. In een boek uit 1879 beschrijft hij één geval in de meest griezelige geuren en kleuren, en hij schatte dat er tijdens zijn driejarige coschap in dat ziekenhuis zo’n 50 gevallen zijn geweest.

Pas na het verschijnen van Ei, foetus, baby zag ik dat een ander voorbeeld uit dit ziekenhuis in 1862 de krant had gehaald. Dit keer had onderpastoor De Coninck ziekenoppasser Pierre opgedragen de operatie uit te voeren. Daartoe had hij deze Pierre tevoren een aantal borrels laten drinken. Als betaling voor de bewezen diensten had de man nog 4 frank gehad. Het kind had nog twee uur geleefd, wat erop duidde dat het uit een levende vrouw gesneden was (link, zoekterm ‘Koekelberg’).

Zijn deze extra voorbeelden nog steeds onvoldoende? Twee jaar later rapporteerde hetzelfde blad over een andere vrouw, die na geruchten was opgegraven. Ook zij bleek in haar kist te liggen met een opengesneden buik, met daarin een beschadigde foetus van slechts vier maanden. Bij politie-bezoek overhandigde de verdachte priester het broodmes waarmee hij, zoals hij bekende, het moorddadig sacrament had verleend:

Uit de Vlaamsche Evangeliebode, 15-10-1867 (link, zoekterm ‘broodmes’).

Er kwamen dus gevallen aan het licht van ook vroege zwangerschappen, maar de priesters zelf zwegen erover tegen de buitenwacht. Derden hadden bovendien nauwelijks toegang tot de canonieke werken die het ritueel voorschreven. Als die boeken al beschikbaar waren, en in een gewone taal waren geschreven, gingen ze bij zaken als de doop van ongeborenen veelal plotseling over op het Latijn.

Degenen die de Schinveldse en Vlaamse gevallen publiekelijk hebben aangeklaagd, werden daarna eveneens op ontkenningen en agressie van kerk en volgelingen onthaald. Gelovigen uit Schinveld steunden hun pastoor met tromgeroffel, geweerschoten, en bedreigingen. Die mensen waren eind 2025 vertegenwoordigd door Van Peperstraten en ‘Geen stijl’, welke laatste partij het gelukkig eveneens bij slechts woorden liet (‘bakerpraatjes’ – een bijzondere metafoor in deze context, die ook nog seksistisch is).

8. “Het verleden mag niet vanuit het heden worden beoordeeld”

Je mag het verleden niet vanuit hedendaagse maatstaven beoordelen, leerde Van Peperstraten nog. Amen, mijnheer pastoor. Zoek het woord ‘mansplaining’ eens op. Dat is inderdaad een basisregel van wetenschappelijke geschiedschrijving. Een goed historicus onderzoekt daarom ook hoe er in vroeger tijden werd gedacht over het onderzochte fenomeen.

Uit de getoonde krantenknipsels blijkt al steeds grote afkeuring in het verleden, en de schrijvende vroedmeester François Mauriceau gebruikte er in 1683 zelfs al de termen voor zoals ‘roekeloosheit’, ‘wreedheit’, ‘barbaersheit’, ‘onwetendheit’, ‘buitensporige onmenschelykheit’ en ‘leugenachtigheit’.

In wanhoop stelde Mauriceau voor om dan maar een ‘spuitbuis’ door de strak gesloten baarmoedermond te wrikken en na doorprikken van de vliezen, dan maar in de baarmoeder te dopen. Ook al was dat, als gezegd, buitengewoon pijnlijk en gevaarlijk voor de vrouw, de buiksnede werd haar dan tenminste bespaard.

Als de kindjes zich al in de zaadcellen bevinden, spotte schrijver Laurence Sterne in 1759 over die doopspuit, dan is het toch veel efficiënter om ze en masse met doopwater te besproeien in de ballen van een man ? Dat zou meteen na de huwelijksvoltrekking kunnen worden gedaan, en voordat het tot seks gekomen is. Sterne opperde dit in The Life and Opinions of Tristram Shandy dat meteen een bestseller was en nog altijd wordt herdrukt. Hij liet katholieke schriftgeleerden aan de Parijse Sorbonne ook uitgebreid scherpslijpen over de vraag of zo’n doop met een spuit nou wel of niet geldig was (link). Maar Cangiamila had op dat moment al bepaald dat deze werkwijze zonder meer inferieur was.

Het zou leerzaam kunnen zijn om eens een onderzoek in Duitse archieven te doen, want Cangiamila is ook in Duitsland uitgegeven (link). Een zoektochtje van 10 minuten leverde al meteen informatie op. In oktober 1901 besprak de het socialistische Vorwärts een nieuwe religieuze vinding: een met doopwater gevulde holle naald die dwars door de buik- en baarmoederwand heen naar het ongeboren hoofdje werd gevoerd. Ook vanwege de andere methoden voor de doop van ongeborenen hekelde Vorwärts het ‘moorden’ en de ‘waanzin van de katholieke kerk’ waarvoor ‘vrouwen nog altijd moeten boeten’ (link).

Van Peperstraten bracht nog in dat mensen zelf vroegen om een doop. Maar dat dank je de koekoek als ze eerst doodsbang zijn gemaakt. Stierf een geboren kind ongedoopt dan mocht het ook niet worden begraven in de gewijde grond van het kerkhof, waarop de ouders vervolgens werden aangekeken door de katholieke gemeenschap (link). Nog erger was het verhaal over het eeuwige vagevuur voor hun kind, en het wekt geen bevreemding dat zwangere katholieke vrouwen soms smeekten om redding van hun ongeboren kind voor de hemel:

Uit Paul Portal, 1690, De practyk der vroedmeesters en vroedvrouwen (link)

Vroedmeester Paul Portal van wie dit tekstfragment stamt, vertelt erbij dat hij vrouw en kind in dit geval heeft kunnen behouden.

Maar ook het katholieke volk wrong zich vaak in bochten om te ontsnappen aan de pastoors met hun scheermes, zakmes, keukenmes of broodmes (al die soorten messen komen in de hier opgenomen knipsels voor). Cangiamila beklaagde zich bijvoorbeeld over ‘het weinig verfijnde platteland’, waar mannen hem belaagden en vroedvrouwen logen dat een vrouw al een tijdje dood was. Uit eigen zak moesten de pastoors soms de ‘lompe chirurgijns’ betalen die anders niet bereid waren om het snijwerk te doen.

Martinus Dingemans, Chirurgijn-Majoor voor de Bataafse Republiek, zou in 1803 ook beschrijven hoe een groep andere vrouwen een geplande uitsnijding heeft afgeweerd. Ze twijfelden niet aan de dood van de zwangere vrouw die dreigde te worden opengesneden. Toch hebben ze net zo lang gescholden en ‘getwist’ tot de foetus van 8 maanden gewoon niet meer levend te dopen viel. Het verzet van deze vrouwen is te begrijpen want het snijden had een gruwelijk geschonden dode vrouw opgeleverd, met in de geopende baarmoeder een eveneens dode foetus die veel ellendiger was gestorven dan zonder sacrale mishandeling gebeurd zou zijn.

Dat staat allemaal in schril contrast tot de hedendaagse reacties van katholieke zijde. ‘In tegenstelling tot het meer obscurantistische protestantisme’, schreef Van Peperstraten ook nog, ‘kwam de katholieke theologie vanaf de 16de eeuw aan de kant van de rede te staan’.

Je gaat je afvragen met welk historisch besef tegenwoordige pastoors eigenlijk zijn opgeleid. Het 16de-eeuwse katholicisme is immers ook berucht vanwege de Inquisitie die in Nederland ‘ketters’ opspoorde, dat wil zeggen niet-katholieken afvalligen zoals gevluchte kloosterlingen. Die werden daarvoor gemarteld en levend verbrand en daarbij bestond het man-vrouw onderscheid niet:

Dit knipsel komt uit een geschiedenis met als aanhangsel een lange reek originele 16de-eeuwse documenten van inquisiteur Franciscus Somnius, geboren in het Brabantse Son en met hoge functies in de katholieke kerk der Nederlanden. Die geschiedenis vol fanatisme en wreedheden is in de jaren 1970 door een katholieke geestelijke geschreven. Je leest het vol verbijstering, en dat al helemaal bij de mededeling aan het begin dat de Nederlandse inquisiteurs ‘juist de grootst mogelijke menslievendheid aan de dag gelegd hebben’ (link zoekterm ‘Somnius’).

Eeuwen geleden oordeelden andere mensen echter al dat het katholicisme veel meer aan de kant van het obscurantisme dan van de rede stond. Als het gaat om de doop van ongeborenen zijn er behalve van medisch hulpverleners ook altijd protesten geweest van andersgelovigen, socialisten, schrijvers en journalisten.

Schrijver Laurence Sterne dreef er in de 18de eeuw de spot mee, en het tijdschrift De Protestant behandelde het onderwerp bijvoorbeeld uitvoerig in 1822. Daarbij sprak het van ‘onbekwame Roomsche vroedvrouwen’ en ‘domme priesters’ die met hun ‘dweepziek onverstand’ en uit ‘louter fanatisme’ de vrucht aan moeilijk bevallende vrouwen ‘ontrukken’ en hen daarbij ‘vermoorden (want hoe zou het anders heeten?)’.

In de burgerlijke stand verdween het in de doofpot, schreef De Protestant verder nog. ‘De wetten moeten dan zwijgen voor de wapenen van het bijgeloof. Zulke heilige moorden zullen dan niet ligt onderzocht, ontdekt of gestraft worden’. En áls er al een zaak voorkwam waren de rechters eveneens van die ‘dweepzieke Roomschen’.

Sommige commentatoren snapten ook dat de katholieke leer gedurende de hele zwangerschap angstaanjagend was. Zwangerschap was op zich al even onvermijdelijk als risicovol, en ‘de leer der kerk’ had het moederhart vervuld met een doodelijken angst’, schreef de 19de-eeuwse historicus William Hartpole Lecky. De vrouwen verzonnen allerlei eigen rituelen om het onheil van het vagevuur af te wenden bij mogelijk overlijden van hun vrucht. ‘Maar de waakzaamheid der theologen was onvermoeid’, voegde Hartpole Lecky hier bitter aan toe, want in al hun wreedheid wezen die mannen ‘het bijgeloof’ van die zwangere vrouwen keer op keer als ongeldig af om hen andermaal het ‘juiste geloof ‘ in te wrijven (link).

Het verleden mag niet vanuit het heden worden beoordeeld, maar zeker ook niet vanuit het heden worden verfraaid.

Na veel debat werd het afgrijzen over de foetusdoop, zoals verteld, uiteindelijk mede aanleiding tot de . Vanuit België heeft kardinaal Sterckx zich daar nog flink tegen verzet. Hij schreef een openbare brief tegen het Nederlandse ‘dogma’ dat een wetsovertreding nodig maakte om een ongeborene te dopen:

NRC, 18-3-1869 (link).

Er zijn ook meer 20ste-eeuwse zaken aan het licht gekomen en met woede besproken. In mijn boek staat een uitvoerige behandeling van het juist genoemde voorbeeld van een zwangerschap van slechts 3 maanden, omdat deze zaak een kantelpunt in de geschiedenis van abortus werd. Dat komt doordat deze zaak zoals verteld publiekelijk is aangekaart door de bekende hoogleraar gynaecologie Hector Treub. Dat deed deze met onder andere het bittere commentaar: ‘Daar ligt een jonge vrouw vermoord door de bekrompen voorschriften van de H. Officie’. Treub opperde er een gevangenisstraf van negen maanden voor (link).

Treub maakte zich ook sterk voor een betere abortuswet omdat artsen nog altijd strafbaar waren als ze het leven redden van een zwangere vrouw door haar vrucht op te geven. Illegale aborteurs moesten worden bestraft wegens ondeskundig handelen, betoogde hij, maar medici niet. Treubs teleurstelling en woede waren dan ook enorm toen de orthodox-katholieke minister Robert Regout de beruchte Zedenwet van 1911 door het parlement had gekregen. Vanaf toen stond op elke vorm van abortus voor de vrouw zelf een gevangenisstraf van 3 jaar, en voor een medische professional 6 jaar plus ontzetting uit diens beroep.

Maar het uitvoeren van een keizersnede voor de doop bleef nog altijd nauwelijks strafbaar, en totaal niet als het in een ziekenhuis werd gedaan. In het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde (NTvG) van 1921 lichtte cardioloog Adriaan Korteweg toe waarom hij niet langer aan dit ‘pijnlijk stuitend schouwspel’ mee wilde doen. Hij vond het vreselijk om zich met zijn stethoscoop over de openliggende baarmoeder te moeten buigen om te bepalen of de vrucht nog levend en dus doopwaardig was. Als cardioloog wist Korteweg al helemaal hoe moeilijk de dood vast te stellen is, en ook voor hem was deze doop een overtreding van het gebod ‘Gij zult niet doden’.

Veel meer dan Treub, die maar nauwelijks doorhad dat het om de vruchtdoop ging, was Korteweg op de hoogte van de boeken die deze voorschreven. Hij was het die mij ongeveer een eeuw later op het spoor daarvan heeft gezet. Maar het hielp andermaal niets. Ook Kortewegs noodkreet is hem slechts op de overbekende beledigde reacties van katholieke zijde komen te staan. Dat gebeurde zowel in het NTvG als in Nederlandse Katholieke Stemmen. In dat priesterblad reageerde de juist genoemde theoloog C.A. Damen, opnieuw in met Latijn doorspekt Nederlands: ’tarnen aeterna salus infantis praevaleret parvae isti mortis accelerationi matris’ (het eeuwige heil van het kind weegt zwaarder dan een snellere dood van de moeder) ( link).

Dus zouden anderen tegen deze praktijk moeten blijven protesteren, zoals het knipsel uit De Groene Amsterdammer van 1950 laat zien, ingevoegd aan het begin van dit verhaal en hier nog eens herhaald:

Uit De Groene Amsterdammer, 29-2-1950 (link).

9. “De vrucht wordt niet boven de vrouw gesteld”

Marco Bellocchio’s film Rapito (Ontvoerd) vertelt eveneens dat het bij de katholieke doop om toeeigening ging. Deze is gebaseerd op ware gebeurtenissen in de 19de-eeuw: de ‘Heilige Stoel’ was ter ore gekomen dat een Joods jongetje als baby stiekem door het katholieke dienstmeisje van de familie was gedoopt. Daarna werd het kind domweg als katholiek eigendom beschouwd en zelfs uit het gezin ontvoerd. De ouders deden hun uiterste best het terug te krijgen, maar hun zoontje werd door diens priesteropleiding zelf door en door katholiek.

Het operatieve ontnemen van een ongeborene is nog akeliger en blijft ook voor mij erg naar. Zoals gezegd laat ik het liefst onvermeld als ik over mijn boek spreek. Wellicht zou ‘zand erover’ ook op zijn plaats zijn, als de achterliggende overtuigingen niet de paden hadden gevormd waarlangs het denken is blijven lopen.

De mannelijke toeeigening van ongeborenen kent vele vormen, en gebeurt nog steeds vaak onder verwijzing naar God als de ultieme man.

Terwijl zwangere vrouwen door priesters mochten worden gedood, hebben katholiek geïnspireerde wetboeken het beëindigen van een zwangerschap ter bescherming van de vrouw wél vanaf 1811 strafbaar gesteld – zelfs als deze fysiek levensbedreigend voor haar was, zoals het voorbeeld van de 3 maanden zwangere vrouw met zwangerschapsbraken ook liet zien.

Daarmee werd de vrucht eveneens overduidelijk boven de vrouw geplaatst. Dat gebeurde en gebeurt op nog veel meer manieren. Door vitaminegebrek, kankers, en infectieziekten hadden veel vrouwen in vroeger tijden een vernauwd baringskanaal. Dan stierven vrouw en kind bij de bevalling een vreselijke dood. Om tenminste de vrouw te redden, die vaak moeder van eerdere kinderen was, zat er niets anders op dan het kind op te geven. Dat ging iedereen enorm aan het hart, maar volgens de katholieke leer ging ook in zo’n geval de nieuwe ziel onverbiddelijk voor de vrouw. Zij moest tijdens de bevalling een ellendige dood sterven.

Tegelijk moest het huwelijk voortdurend ‘worden geconsummeerd’, terwijl voorbehoedmiddelen tot in de jaren 1970 ten strengste verboden waren. Dus werden vrouwen die slechts moeizaam konden baren, maar het wel hadden overleefd, voortdurend opnieuw zwanger.

Toen de keizersnede al relatief veilig was, waarschuwden artsen nog wel voor spontaan openbarsten van het litteken na een herhaalde snede. Maar echtscheiding mocht eveneens niet, en was vooral voor vrouwen bovendien praktisch onmogelijk omdat eigen betaald werk voor hen verboden was. Lukte het een vrouw desondanks om te ontsnappen aan het levensgevaarlijke sperma van haar echtgenoot dan gold dát voor de katholieke kerk weer wel als echtscheidingsgrond (link).

Miskramen werden ook vaak toegeschreven aan onvoorzichtigheid van de vrouw. En allerlei typen zwangere vrouwen werden als ‘miskraamgevoelig’ aangemerkt, zoals mijn boek beschrijft. Hen wachtten de meest wrede behandelingen tot behoud van de zwangerschap.

‘Ongeoorloofd’ en ‘verplicht’ waren verder de meest voorkomende woorden in de het katholieke vocabulaire. En meestal stonden ze in vet of cursief gedrukt. Alles wat ook maar enigszins verbonden leek met seks was onmiddellijk ongeoorloofd of verplicht. Dus hielden de priesters zich er vooral zelf intens mee bezig, wat tot vele vormen van mentale mishandeling leidde.

Om een indruk te geven: in de jaren 1930 kwam het ‘inwendige maandverband’ Tampax op de markt dat vrouwen veel meer bewegingsvrijheid buitenshuis verschafte en daarmee ongekende vrijheid. Het werd echter meteen een onderwerp voor Nederlandse Katholieke Stemmen. Het gebruik van Tampax was ongeoorloofd, oordeelde dit tijdschrift, want daar was ‘manipuleeren aan den vulva’ voor nodig. De auteur berekende zelfs hoeveel vocht er per menstruatie afgescheiden wordt, en hoeveel een stuks Tampax kon absorberen, waaruit hij dan afleidde hoe vaak per menstruatie dat ‘manipuleeren aan de vulva’ dus nodig was.

Zeker voor ongehuwde vrouwen was dat echt teveel, oordeelde hij, want door die ‘ongewenste sensaties’ veroorzaakt door Tampax-gebruik zouden de meisjes hun belangstelling kunnen verliezen voor de man. Gehuwde vrouwen die de tampons wilden gebruiken moesten dan in elk geval zorgen dat ze beschikbaar bleven voor hun man. Ze moesten ‘den tampon verwijderen vóór den actus coniugalis’ en deze ‘de eerste uren erna niet opnieuw in te brengen’ (ondanks dat toen al bekend was dat vrouwen tijdens hun menstruatie niet vruchtbaar zijn). Uiteraard ging ook dit artikel met heel veel geheimzinnig Latijn gepaard, zoals ‘sigillum naturale virginitatis corporalis’ of ‘non-consummatio matrimonii de integritas hymenis uxori’ (link, zoekterm ‘Tampax’).

Het was pure agressie en vrouwenhaat, want tegelijkertijd was seksuele voorlichting ‘ongeoorloofd’. Raakten meisjes zwanger (‘Ik snap het niet want hij heeft me niet gezoend’) dan werden ze in katholieke kring het meest onbarmhartig bejegend. Nu levende mensen vertelden de afgelopen jaren hoe dat hun hele bestaan negatief heeft beïnvloed. Tot en met de jaren zeventig werden kinderen van ongehuwde vrouwen afgenomen, met blijvende gevolgen voor zowel deze vrouwen als hun kinderen. Het onderzoeksrapport hierover dat in 2025 verscheen, vertelt het ene hartverscheurende verhaal na het andere van nu nog levende mensen (link, ik was lid van de Commissie Binnenlandse Afstand en Adoptie die het onderzoek begeleidde en het rapport schreef). Reactie van alle kerken bleef uit, terwijl zeker de katholieke kerk zich ook bij deze schrijnende gevallen van haar uiterst hardvochtige zijde had laten zien.

Bij alle Mariaverering is de katholieke kerk extreem wreed voor vrouwen. Was je ongehuwd en zwanger dan werd je kind afgenomen, was je gehuwd en niet zwanger dan werd je verplicht dat snel (weer) te worden, was je ziek en zwanger dan had je de kans te worden opengesneden.

Schijnbaar argeloos blijven pausen tot op de dag van vandaag herhalen dat een bevruchte eicel meteen al een ziel bezit, zodat elke zwangere vrouw nog steeds onder curatele van zielzorgers valt. Nog altijd denken de mannelijke vertegenwoordigers der katholieke kerk aldus te mogen bepalen wat ‘geoorloofd’, ‘verplicht’, en ‘verboden’ is voor een vrouw.

10. Hoe nu verder?

We zijn in de kerstperiode van 2025 als ik aan deze repliek werk, en trots verschijnt pastoor Van Peperstraten in De Telegraaf. Hij heeft een kazuifel aan en staat voor een kerststal. De beeldjes van de herdertjes staan daarin op veilige afstand van Maria, precies zoals wij dat vroeger thuis ook al deden. Maar deze pastoor heeft het kindje compleet met kribbe bij haar weggehaald. Breed lachend houdt hij dat nu in zijn eigen armen terwijl hij in de camera kijkt (link).

Beter gesymboliseerd krijg je de eeuwenlange priesterlijke en mannelijke toeeigening niet. Deze is ook indringend beschreven door literatuurcriticus, journalist, schrijver (en moeder) Dieuwertje Mertens. Zoals alleen een vrouw dat kan, laat Mertens in haar boek Moeders. Heiligen Maria nu eens zelf aan het woord, die alle onzin over haar al zoveel eeuwen machteloos doorstaat (link).

De bijbehorende boodschap in De Telegraaf was er bovendien een van solidariteit met de Joodse gemeenschap. Je hoeft niet te ontkennen dat die nodig is om ook op het immense leed in Gaza te wijzen. In een ander recent boek (link) schrijft verloskundige, filosofe (en moeder) Rodante van der Waal echter over vrouwen aldaar sinds de Israëlische inval: ‘Door acute tekorten aan bloed worden baarmoederverwijderingen uitgevoerd als laatste redmiddel. Ook nam het aantal miskramen toe met 300%. Keizersneden worden noodgedwongen uitgevoerd zonder verdoving. Moeders brengen hun baby’s ter wereld in auto’s, op straat en in overvolle opvangplekken waar het risico op infecties en de verspreiding van ziekten groot is’.

Priesters beleren andere mensen ook graag. Maar als het aan Van Peperstraten ligt, en misschien aan de hele katholieke kerk, gaat het wrede ontrukken van ongeborenen aan vrouwen opnieuw de doofpot in.

Al zijn misstanden uit het verleden niet ongedaan te maken, er valt van te leren en vrede over te sluiten. Maar dat vergt wel dat ze worden erkend.

Dat ervan wordt geleerd is voor hedendaagse vrouwen uiterst relevant. Terwijl vrouwen zelf na een ongewenste bevruchting ook eeuwenlang aan ‘het opwekken van de menstruatie’ deden (wat tegenwoordig pas echt goed kan met mifepriston), heette dat in het potjeslatijn der priesters ‘provocatio abortus’. Dat was volgens hen schandalig omdat de ongeboren ziel – lees de hele vrouw – dan niet in hún handen kon komen. Langs die weg is de term abortus tot op de dag van vandaag met zondigheid of misdadigheid verbonden geraakt, zodat dit nog altijd in de strafwet staat en velen van ‘abortus plegen’ zijn blijven spreken of zelfs meelopen met demonstraties voor ‘het’ leven.

Zeggenschap over het eigen lichaam is echter een primaire voorwaarde om mens te zijn. Kleine kinderen drukken dat al uit door eten te weigeren. En soms brengt een vrouw onder woorden dat verplichte zwangerschap als een langdurige verkrachting voelt. Zwangerschap is, anders gezegd, als seks en eten: fijn als je het graag wilt, maar een verschrikking als het opgedrongen wordt. Het is ook zware arbeid en in alle andere gevallen vinden we dat die alleen mag worden uitgevoerd als daar voor de persoon zelf een beloning op staat.

Iedere bevruchting ontstaat bovendien door een man. En dus ontstaat ook iedere ongewenste bevruchting door een man. Die heeft zijn sperma in een vrouw gedeponeerd, zonder zich ervan te hebben verzekerd dat zij een kind van hem wil.

Elke bevruchting die per ongeluk is ontstaan, is dus een ongeluk veroorzaakt door een man. Tegelijk is het verbod aan vrouwen op terugdraaien van de gemaakte fout oorspronkelijk eveneens door mannen uitgevaardigd. Het is alsof een man een vrouw mag aanrijden met zijn auto om haar vervolgens ook nog te mogen dwarsbomen bij haar pogingen tot het herstel van zijn fout.

Bij publieke discussies over abortus, zijn er nog altijd mannen in de zaal die als ‘verschaffer’ van de zaadcel het recht claimen op een stem bij de beslissing daarover door een vrouw. Ze hebben die zaadcel echter niet verschaft maar zijn nalatig geweest bij hun aandrang tot kwijtraken ervan. Anders dan vrouwen zijn mannen ook de hele maand vruchtbaar en hun hele leven. Maar de verantwoordelijkheid wordt geheel bij de vrouwen gelegd en ongedaan maken van een ongewenste bevruchting staat nog altijd in het Nederlandse Wetboek van Strafrecht. Sinds het eerste wettelijke verbod in 1811 zijn alle abortuswetten vooral door katholieke invloeden bepaald.

Het interview met mij in Trouw bespreekt voornamelijk dat tegenwoordig zelfs niet-christelijke partijen ongewild bevruchte vrouwen tot negen maanden dragen en vervolgens baren willen dwingen. De huidige abortusrechten zouden ook volgens rechtse partijen moeten worden ingeperkt, terwijl bijna 87 % van de ingrepen inmiddels binnen vijf weken na de ongewenste bevruchting gebeurt (tot de 8ste zwangerschapsweek die wordt berekend vanaf het begin van de laatste menstruatie) en dat ook steeds meer met simpele medicatie.

Maar het programma Lentekriebels voor seksuele voorlichting op scholen wordt onder sterke druk gezet door zowel rechtse partijen als het extremistische katholieke Civitas Christiana. Van die laatste organisatie nam de reguliere katholieke kerk gelukkig uitdrukkelijk afstand. En toegegeven het ene katholicisme is het andere ook niet. Er bestaat bijvoorbeeld zelfs een beweging Catholics for Choice (link). Die roept de paus op om eindelijk eens naar vrouwen te luisteren en stelt een brochure beschikbaar om vrouwen te helpen met hun katholieke familie over abortus te praten (link).

Zou het inderdaad een optie zijn om na eeuwen eens te gaan luisteren in plaats van het hoogste mannelijke woord te blijven voeren? Een katholieke geestelijke ‘heeft’ zelfs niet eens een vrouw. Van Peperstraten mag bloggen en twitteren, maar zijn autoritaire redeneerstijl en paternalistische woordkeuzes geven een perfect beeld van de traditionele katholieke verhoudingen. Zeker vrouwen hadden en hebben nog steeds het recht niet om ergens over na te denken, laat staan hun mond erover open te doen.

Hedendaagse vrouwen brengen echter uitstekend onder woorden hoe zij ten dienste van de voortplanting worden gesteld. En wie betoogt dat het verleden niet vanuit het heden mag worden beoordeeld, verplicht zich tot verdieping in dat verleden zowel als het heden. Lees dan tenminste een boek in plaats van domweg de traditionele opinie te herhalen, en met beschuldigingen van ‘sensatiezucht’, ‘amateurisme’ en ‘bakerpraatjes’ te komen.

Bestudeer dan vooral ook het juist genoemde boek van Rodante van der Waal uit 2025. Alleen al de titel Baas in eigen buik (link) drukt uit dat dit ideaal nog nauwelijks is gerealiseerd.

Tot slot: Trouw had redenen om naast de recente abortuscijfers ook de doop van ongeborenen te willen aankaarten in het interview met mij, en daar was ik het na enige aarzeling mee eens. De krant vroeg mij daarna schriftelijk op het blog van pastoor Van Peperstraten te reageren. Dit ten behoeve van een vervolgartikel door de krant zelf op 6 december. In dit artikel is een deel van mijn repliek op het blog verwerkt (link)

Deze gezamenlijke inspanningen hebben echter helemaal niets bereikt. Dezelfde katholieke reacties herhaalden zich in een interview met het Reformatorisch Dagblad dat op 12 februari 2026 verschijnt, evenals op de website van het Katholiek Nieuwsblad. Daarin probeert hoofdredacteur De Wit al helemaal het ware slachtoffer te zijn: volgens hem is er eerder historisch onderzoek nodig naar ‘de (…) achterstelling van katholieken in de Lage Landen in voorbije eeuwen’ (link).

De reacties blijven dus alleen maar verbolgen en vooral ontkennend Hieronder is echter te zien dat het boek waarin het onderwerp aan bod komt al vanaf het verschijnen in 2023 veel aandacht van anderen heeft gehad, zodat de katholieke vertegenwoordigers veel eerder al hadden kunnen weten dat bun tegenwerpingen al waren weerlegd



De ontvangst van Ei, foetus, baby

Gedrukte boekbesprekingen

Voor citaten uit de boekbesprekingen zie onder ‘publicaties’ en daar onder ‘ei, foetus, baby’

21 april 2023 door Ranne Hovius in De Volkskrant

22 april 2023 door Tanny Dobbelaar in Trouw (link)

26 april 2023 door Elja Looijestijn in de VPRO-Gids (link)

1 mei 2023 door Ira Pronk in Filosofie Magazine (link)

2 mei 2023 door Lianne Tijhaar in Nemo Kennislink (link)

11 mei 2023 door Martine Kamsma in NRC (link)

8 juni 2023 door Henk Maassen in Medisch Contact (link)

8 juni 2023 door Carin Slotboom in het Nederlands Dagblad (link)

15 juli 2023 door Betty Meyboom- de Jong, website VNVA (link)

31 juli 2023 door Geerdt Magiels in De Standaard

2 augustus 2023 door Laura Herman in De Groene Amsterdammer (link).

1 september 2023 door Arthur Alderliesten in Reformatorisch Dagblad

1 oktober 2023 door Madeleijn van den Nieuwenhuizen in De Nederlandse Boekengids (link)

1 oktober 2023 door Sicco de Knecht in De Nederlandse Boekengids (link)

15 december 2024 door Wiegertje Postma in The European Review of Books (link)

Gesproken boekbesprekingen

Podcast Onbehaarde Apen NRC 2023 (link)

Podcast Medisch Contact 2023 (link)

Gedrukte interviews

met dank aan fotograaf Reyer Boxem, december 2025

1 december 2025, Trouw, door Lodewijk Dros (link p.1), (link p.2) + voorpagina Trouw

mei 2025, Huisarts & Wetenschap, door Frank van Wijck (link)

december 2024, Tijdschrift voor Gezondheidszorg en Ethiek, door Rodante van der Waal (link)

27-1-2024, De Standaard, door Nathalie Carpentier (link)

14-6-2024, International Literature Festival Utrecht, door Mirjam van Hengel (link)

13-5-2023, Dagblad van het Noorden, door Marijke Brouwer (link)

6-5-2023, NRC, door Jannetje Koelewijn (link)

29 -4-2023, Vrij Nederland, door Dieuwertje Mertens (link)

Gesproken interviews

24 februarie 2026, Groene Amsterdammer, Niet geboren, wel gedoopt (over de keizersnede omwille van de doop) (link).

1 december 2025, EO radio Dit is de Dag met Margje Fikse (link)

28 april 2025, Huisarts & Wetenschap podcast met Femke Veldman & Mariëlle van Avendonk (link)

5 april 2025, podcast Broedparels van Nina Pierson (link)

19 november 2024, De Nieuws BV, NPO Radio 1, interviewer Stefan Komduur (link)

21 augustus 2024 radio Spraakmakers met Marli Huijer over de ‘ontvruchtingspil’ (ook bekend als de ‘abortuspil’), interviewer Carl-Johan de Zwart (link)

13 mei 2024 Lang zal ze leven, interview-podcast door Liesbeth Staats (link)

8 december 2023 Het Uur interview-podcast NRC door Pieter van der Wielen (link)

5 december 2023 De Nieuwe Wereld-TV interview door Martijntje Smits (link)

30 september 2023 International Literature Festival Utrecht (ILFU) in Vredenburg (link).

29 april 2023 radio 1 Nooit meer slapen, Interviewer Lotje IJzermans (link)

11 mei 2023 podcast door Kees van den Bosch voor de Groene Amsterdammer (link)

20 mei 2023 Nieuwsweekend door Mieke van der Weij en Pieter van der Wielen (link)

25 mei 2023 de Boekencast van het Historisch Nieuwsblad door Jos Palm (link)

Diversen

Van 29 maart tot 14 september 2025 toonde het Centraal Museum Utrecht de tentoonstelling ‘Good Mom, Bad Mom. Een onderdeel daarvan was een kabinet over ‘de blik door de buikwand heen’ gemaakt met behulp van mijn boek Ei, foetus, baby

Op 21 mei 2013 was er een programma rond Ei, foetus, baby in de Balie in Amsterdam, met onder anderen Gunilla Kleiverda, Marian Mourits, Ilse Lazaroms, Yuki Kho en Heske ten Cate (link)

Op 17 juli 2024 publiceerde filosoof en Trouw-columniste Marli Huijer een column over mijn voorstel om de naam ‘allround pil’ of ‘ontvruchtingspil’te gaan gebruiken in plaats van ‘abortuspil’ (link)

Podcastmaker en schrijver Nina Pierson nam mijn argumenten op in een mooi interview met RTL-nieuws over haar eigen abortus (link)

Historiek.net zette met toestemming een stukje uit het boek met illustraties op haar site (link)

Op 30 september 2023 werd ik samen met de Ierse schrijfster Sinéad Gleeson geïnterviewd door Dieuwertje Mertens tijdens het Internationaal Literatuur Festival (ILFU), in Tivoli Vredenburg te Utrecht

Berichtgeving in Trouw (door Maurice Timmermans) en het Algemeen Dagblad (door Marlies van Leeuwen) over de paragraaf ‘Wilhelmina’s tweede zwangerschap’ uit het boek. Deze is overgenomen door veel andere kranten (link) en bladen (link)

Ei, foetus, baby kwam in 2024 op de shortlist voor Het beste Groninger boek en De sociologische bril

In gesprek met Mark van Ostaijen, jury-voorzitter De Sociologische Bril, Arminiuskerk Rotterdam 8 november 2024 (juryrapport, link).
[/fusion_text]

2024

In gesprek met Skepsis, over de RCT, interviewer Richard Engelfriet (link)

Nemo Kennislink over de 'Tiktok Psychiatrie' interview door Lianne Tijhaar (link)

2022

Podcast VPRO 'Naakt op een kleedje'  gesprek met Heske ten Cate & Yuki Kho over Ei, foetus baby in de maak (link)

2021

Podcast 'Hoe de GGZ verandert, gesprek met Carlijn Welten (link)

2020

Science Guide, interviewer Sicco de Knecht (link).

Psychologie Magazine, gesprek met Alies Pegtel

Stichting Weerklank, gesprek met Paul Custers (link).

Filosofisch Kwintet, interviewer Clairy Polak (link)

Brainwash Zomerradio, gesprek met Floortje Smit (link)

Volkskrant, interviewer Ianthe Sahadat (link)

2019

Gemeente Rotterdam, interview 'Geluk als Plicht en Prestatie' (link)

Podcast Klara-radio, gesprek met Greet van Thienen in de reeks 'Kant en Klaar' (link).

2018

In gesprek met Freek en Hella de Jonge, in het Groninger Museum (link)

Trouw (11-12-2018), interview door Merel Kamp over de plicht om voor jezelf te zorgen (p.1 en p.2).

2017

Interviews radio en tv:

TV Noord, over antidepressiva en geweld als mogelijke bijwerking nav het boek 'Een coupé verder' door Eddy Hekman en Alasam Samarie; DWDD met Eddy Hekman en Jim van Os over aggressie als mogelijke bijwerking van antidepressiva (link).

2016

Betere Mensen, interviews radio en tv:

Buitenhof. Interview door Pieter Jan Hagens (link)

Interview door Paul Witteman in ‘Witteman ontdekt het geluk’

TROS Nieuwsshow.

Betere Mensen, interviews kranten en bladen:

Interview in Trouw door Wybo Algra over Betere Mensen (link)

De Idee, politiek-wetenschappelijk tijdschrift D66 (link), Onderzoek Nederland, Didactief, Steph Menken, & Machiel Keestra. An introduction to interdisciplinary research. AUP

Interview over de vraag of ik zelf ADHD heb

Druk en Dwars, Academische Werkplaats voor ADHD en druk gedrag (link)

2015

Betere Mensen, interviews kranten en bladen:

De Groene Amsterdammer, ZonMw boek ‘Dwarsdenken en Doordouwen’, Het Dolhuys en Boom. magazine ‘De maakbare mens, Volzin.

2014
Betere Mensen, interviews radio en tv:

Radio-interview door Coen Verbraak, De Kennis van Nu; Tros Nieuwsshow; VPRO, Nooit meer slapen met Pieter van der Wielen; Brandpunt, uitzending van Odette Joosten over geneesmiddelen tests; Argos, VPRO, uitzending van Stefan Heijendael, over geneesmiddelen tests; De Correspondent, interview door Lex Bohlmeijer; VRT Radio; Oba live; NPO Wetenschap, radio 1, ‘Allemaal aan de hersentechnologie’, dubbelinterview met Daniaan Denys

Betere Mensen, interviews en besprekingen in kranten en bladen:

De Volkskrant, NRC Handelsblad, Trouw, De Morgen, De Correspondent, 8Weekly, Elsevier, Deviant, Het Geneesmiddelenbulletin, NRC Handelsblad (genoemd in hoofdredactioneel commentaar), Filosofie Magazine, GezondheidNu (dubbelinterview met Marli Huijer), De Persdienst (De Gooi- en Eemlander, Eindhovens Dagblad, Haarlems Dagblad, IJmuider courant, Leidsch Dagblad, Noordhollands Dagblad, De Twentsche Courant Tubantia, Dagblad Flevoland, Zwolse Courant, Zutphens Dagblad, Nieuw Kamper Dagblad, Eindhovens Dagblad, Brabants Dagblad, De Gelderlander, Provinciale Zeeuwse Courant).

NRC Handelsblad, eigen gastcolumn ‘Wetenschap duld die meekijkers’

NRC Handelsblad, Zomeravondgasten (dubbelinterview met de schrijster Nelleke Noordervliet)

2013
Interviews radio en tv:

NPO wetenschap, uitzending van een forumdiscussie DSM5--dwangbuis-of-leidraad

2012
Interviews radio en tv:

VARA reeks van Maarten van den Heuvel, Pieter Hilhorst en Kees Schaap, Vrijheid, Gelijkheid, Broederschap

Interviews kranten en bladen:

De Volkskrant, Flux

Bespreking kranten en bladen:

NRC, hoofdredactioneel commentaar

2011
Interviews radio en tv:

Canvas, serie Té Gek, interview en opnamen tijdens een college voor de Universiteit Gent’; VRT, cultuur- en actualiteitsprogramma ‘Babel’

Interviews kranten en bladen:

De Volkskrant (Prinsjedag-interview); Dagblad van het Noorden

2010
De depressie-epidemie, interviews radio en tv:

TROS Radar; NPO Wetenschap, Adams Appel

De prachtige documentaire van Sarah Domogala Alles wat we wilden / All we ever wanted is mede geïnspireerd door De depressie-epidemie.

De depressie-epidemie, besprekingen kranten en bladen:

NRC Handelsblad plaatste De depressie-epidemie op een lijst met de 15 beste werken uit de 21ste-eeuwse internationale nonfictie literatuur en publiceerde een nieuwe bespreking door Beatrijs Ritsema.

2009
De depressie-epidemie, interviews radio en tv:

Teleac / NPO programma Wetenschapsprogramma Hoe?Zo!

Augustus 2009, Zomergast in VPRO Zomergasten

De depressie-epidemie, interviews kranten en bladen:

De Volkskrant, De Standaard, HP De Tijd El Pais.

2008
De depressie-epidemie, tv en radio:

VPRO, Brands met Boeken; TROS Nieuwsshow; Argos VPRO; Desmet Live. VARA Zembla, De Piekerpil, geheel gewijd aan De depressie-epidemie.

De depressie-epidemie, interviews in kranten en bladen:

Medisch Contact, De Volkskrant, NRC Handelsblad, Trouw, Dagblad van het Noorden, Vrij Nederland, Universiteitskrant RuG, Psy, Medisch Contact, Humo, De Morgen, Volzin, Knack, Leeuwarder Courant, Happinez, Algemeen Dagblad, Haagsche Courant. Utrechts Nieuwsblad, Rotterdams Dagblad, Groene Hart, De Dordtenaar, Rivierenland, De Stem, Bladen Gemeenschappelijke Persdienst (Brabants Dagblad, Tubantia/Twentsche Courant, BN/DeStem, De Stentor/Sallands Dagblad, Zutphens Dagblad, Apeldoornse Courant, Veluws Dagblad, Deventer Dagblad, Dagblad Flevoland, Gelders Dagblad, Nieuw Kamper Dagblad, Zwolse Courant, Eindhovens Dagblad).

De depressie-epidemie, besprekingen in kranten en bladen:

Trouw, NRC Handelsblad, het Nederlands Dagblad, De Standaard, Maandblad Geestelijke Volksgezondheid, 8Weekly, Deviant, Libelle, De Psycholoog, De Psychiater, Tijdschrift voor Psychatrie, Tijdschrift van Verpleegkundigen, en Het Geneesmiddelenbulletin.

2002
interviews tv:

Twee Vandaag, over het experiment met verstrekking van heroïne

[/fusion_builder_column][/fusion_builder_row][/fusion_builder_container]